
HIP-TIME MAGAZINE 106
Fascinerend en imponerend zijn twee begrippen, die van toepassing zijn op de geschiedenis van het eerste meest linkse pand op deze prentbriefkaart uit de museumcollectie. Die kaart is bijna honderd jaar oud, want op de gevelbalk boven de winkel staan restanten van de zich aldaar in mei 1918 gevestigd hebbende N.V. VAN DER SCHAAR’S HEEREN & DAMES KLEEDERMAGAZIJN. Na bedrijfsleider-kleermaker Daniël Jans Rorije wordt in 1920 directeur Harmen Jans Kremer de bewoner van het pand tot mei 1933. Dan verlaat hij het pand Dracht 42 ten faveure van Jan Bunt, die er volgens het adresboek 1934 een bloeiende meubelhandel sticht. Deze blijkt een volhouder zelfs tot in de jaren zeventig als woninginrichter onder de nrs. 42-44-46. Maar niet alleen in deze twee bedrijven zitten fascinerende en imponerende elementen ook in een lange periode daarvoor zijn daarvan de bewijzen te vinden. Het is daarom dat we terug willen gaan in de tijd.
Eerst de periode vanaf 1865 tot mei 1918. Op 12 januari 1865 wordt door de ontbinding van de vennootschap, die bestaat tussen Edske Smit Janszoon, fabrikant en koopman te ‘t Meer, en Meine Meinesz Anneszoon, een rigoureuze streep gezet door de op 31 juli 1863 aangegane vennootschap onder de firma Smit en Meinesz. Hun bedoelingen zijn dan het “uitoefenen van een Stoom-en Windolieslagerij, tevens dienstbaar tot het malen van granen en een smederij” en de daaraan verbonden handel. Smit is dan al een flink aantal jaren bezig om de molen “De Hoop” in ‘t Meer tot bloei te brengen, maar dat is door gebrek aan middelen en ondanks de aandrijving met stoom en zijn smidsvakmanschap niet in voldoende mate gelukt. Uit een correspondentie tussen notaris Arjen Binnerts en zijn zoon Halbe van 16 januari 1865 blijkt de bedrijfsontbinding door ‘volslagen onvermogen om te betalen ofwel failliet’ het meest te treffen Edske Smit en zijn echtgenote Berber Overdiep. Zij zitten zo diep in de schulden, dat ze zelfs een erfrecht op de nalatenschap van haar moeder Sijmentje Hendriks Taconis moeten verkopen aan haar broer Hendrik Overdiep en haar zwager Nicolaas Lublink jr.. Meine Meinesz zet de zaak in ‘t Meer voort, blijkt uit de Leeuwarder Courant van 17 januari 1865.
Niettemin worden er nieuwe verplichtingen aangegaan door Edske Smit. Hij ziet mogelijkheden om op de westkant van de Dracht koper te worden van “een huis en herberg “de Wijnberg” met stalling, wagenhuis en en erf te Heerenveen, sectie A. nr 337 en 338, groot 0.04.56 voor f.6000,00”. Hij koopt het pand op 27 februari 1865 van de koopman Joseph Rose. Overigens blijkt de financiering aan een dun draadje te hebben gehangen, getuigen een vertrouwelijke reactie van notaris Arjen Binnerts naar zijn zoon Halbe: “Vandaag (27 febr.) was het weer (de hoofdpijnveroorzaker) de onwil van H. Overdiep, die, na beloofd te hebben om Smit te helpen ten einde het huis van Rose te krijgen, nu allerhande bezwaren had. Het is toch in orde gekomen.”
Vervolgens vraagt Smit een hinderwetvergunning aan - destijds doet men dat met een procesverbaal met informatie de commodo et incommodo - voor het uitoefenen van een smederij in de huizinge no. 207. De omwonenden stellen als enige voorwaarde, dat de schoorsteen zo hoog wordt opgemetseld, dat geen hinder wordt toegebracht aan het opvangen van zuiver regenwater. Eén jaar na de start van zijn bedrijf sluit Smit een overeenkomst met mr. Herman Ulrich Huguenin, lid van de Hooge Raad der Nederlanden te ‘s Gravenhage, die hem op obligatie 7000 gulden leent. (Tresoar T.26, inv.nr. 56055, aktenr. 189, notaris A. Binnerts)
Enkele fragmenten uit de beginjaren van zijn nieuwe carrière geven we weer. De hoofdelijke omslag van het jaar 1866 is de eerste, waarin zijn naam voorkomt met de kwalificatie ‘grofsmid’ en een gezin van 4 mannelijke en 5 vrouwelijke personen. Uiteraard op het huisnummer 207. Het jaar daarna staat als zijn beroep reeds vermeld: ‘fabrikant’. In de periode 1870-1880 breidt het doopsgezinde gezin zich nog uit tot negen kinderen, die in die periode de zorg genieten van 13 elkaar opvolgende dienstboden. Eind 1879 wordt het huis vernummerd naar nr. 359.
De periode 1880-1900 vermeldt het bevolkingsregister eveneens de naam van Wiebe Joustra, ingenieur, die van 27 september 1884 tot 25 september 1895 zijn capaciteiten mag inzetten. Een smidsknecht Bouwe Vlas is van november 1888 tot 18 juni 1889 tevens inwonend, net als Gerhardus Dirks Harmsen uit Vriezenveen van september 1891 tot en met september 1892. Deze persoon vinden we in begin april 1894 als directeur van een nikkelfabriek aan de Parallelweg als zelfstandig fabrikant. E. Smit Jzn. schrijft voor het Nieuw Advertentieblad van 4 april 1894 een ingezonden brief, betreffende een door hem ontworpen kachel geschikt voor turf en verbindt daaraan de uitnodiging aan de turfmakers een ander model turf te maken om een zo groot mogelijk rendement te krijgen.
Op 16 mei 1894 wordt door E. Smit Jzn. geadverteerd met zelfvoedende spaarturfkachels voor huiselijk gebruik, grote lokalen, scholen en kerken, welke naar gelang van de buitentemperaturen 4 à 24 uur met één vulling kan branden en niet duurder dan met buitenlandsche brandstoffen, die desverkiezende een enorme hitte, doch ook een bijna onvoelbare warmte kunnen produceren zonder uit te doven. Voor de verkoop is afgesproken, dat wie voor 1 Juli bestelt de levering in het najaar tegemoet kan zien. In dat geval wordt zelfs 5 % korting gegeven. Verder zijn de kachels dagelijks in werking te zien en heeft de zaak een geïllustreerde catalogus, die op aanvraag franco te krijgen is.
In de morgen van 9 september 1895 zijn twee werklieden zo onfortuinlijk om met een praam met steenkolen geladen in de spoorhaven, bestemd voor E. Smit Jzn. te verongelukken. De praam is te zwaar beladen, schept water en zinkt. De opvarenden worden gelukkig bijtijds gered, maar er is wel een schade van 25 à 30 gulden. (N.A. 11-9-1895)
Op 5 juni 1896 doet zich met de verkoop door leerlooier Lambertus Feits van een pakhuis met ondergrond (kadastraal A-339) - te weten de voormalige gevangenis aan de Molenwijk - de kans voor om het gehele terrein van Dracht tot Molenwijk in bezit te krijgen. De koopsom van fl.1000,- contant wordt speciaal door notaris Verkouteren vermeldt in de acte. Rond 1900 is het adres van de N.V. Spaarkachel-en Haardenfabriek v.h. E. Smit Jzn daarom op het Achterom / Ged. Molenwijk 25, hetgeen blijkt uit een verkoopfolder. (Knipseldoos Handel, Bedrijf en Ambacht - Fabriek - Smit).
Op 12 juli 1907 doen twee werknemers van Edske Smit aangifte van het overlijden van zijn 73 jarige echtgenote Berber Gerrits Overdiep. Willem de Jong, in de acte als klerk aangeduid, en Nanne Boersma, metaalslijper, beide 33 jaar, verzorgen de aangifte ten gemeentehuize. Er komt voor de organisatie van zijn privéleven een huishoudster Doetje van der Stal, die in 1911 naar Utrecht gaat, en enkele dienstmeisjes. Na wat wisselingen in deze bezetting vertrekt Edske zelf op 3 mei 1913 naar Sneek. Willem de Jong, die inmiddels boekhouder is, wordt de nieuwe hoofdbewoner en wordt in het bevolkingsregister ‘directeur kachelfabriek’ genoemd.
De bevestiging van zijn betrokkenheid vinden we in de oprichtingsakte van een naamloze vennootschap met de naam “N.V. Spaarkachel en Haardenfabriek v/h E. Smit Jzoon te Nijehaske. Als oprichters staan in die acte van 9 oktober 1913 (bankier) Willem Hendrik de Gréve te Nijehaske en Willem de Jong te Heerenveen. De notaris jhr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma zorgt ervoor dat deze overeenkomst als bijvoegsel wordt opgenomen in de Nederlandsche Staatscourant van 28 oktober 1913. Twee dagen eerder wordt ook de verkoop vastgelegd van een gebouw waarin een ijzerslijperij en kachelfabriek met pakhuis, erf en steeg aan het Achterom te Heerenveen. De verkoop Willem de Jong ontvangt daarvoor fl.4156,-. De koper is de N.V. met als commissaris eerdergenoemde Willem Hendrik de Gréve en de directeur Willem de Jong.
De periode Van der Schaar breekt aan, overigens alleen voor het pand voor aan de Dracht. Het achterste deel blijft gewoon in exploitatie bij de N.V. Spaarkachel-en Haardenfabriek v/h E. Smit Jzn. De op 6 februari 1918 aangevraagde bouwvergunning nr. 888 beoogt de ombouw van de kachelwinkel (sectie A-1351) tot een winkelhuis op het terrein van 225 vierkante meter met een hoogte van 11.10 meter en een frontbreedte van 8.90 meter. De verdiepingsgevel telt 4 ramen en op de verdiepingsscheiding wordt de tekst N.V. VAN DER SCHAARS HEEREN & DAMESKLEEDERMAGAZIJN aangebracht. Bouwmeester is aannemer K. Westra.
Het moet gezegd, de N.V. P. van der Schaar’s kleermakerij te Heerenveen blaast met een koopsom van fl.15.000,- flink in de bus en het blijkt dat verkoper Jacob Hendriks Bekkering de begunstigde verkoper is. Notaris Schipper passeert niet alleen deze akte op 15 mei 1918, maar ook de akte voor een schuldbekentenis aan de Rotterdamsche Hypotheekbank voor Nederland voor eenzelfde bedrag. Dat is ruim een jaar later op 16 mei 1919 en de vertegenwoordiger Harmen Kremer tekent die overeenkomst. De stichter Pieter Heeres van der Schaar is immers in 1897 als 35 jarige ondernemer al overleden.
Bij de start van het bedrijf van Edske Smit Jzn. in 1865 blijkt uit de koopacte al dat dit pand aan de Dracht een bijzonder interessante voorgeschiedenis heeft. Daar is immers sprake van het logement ‘De Wijnberg’. Daarvoor zit meer dan een eeuw exploitatie als - in moderne woorden - ‘horeca’-pand of in een fantasie-afkorting een ‘helota-pand’. Dat moet U lezen als ‘herberg, logement en taveerne’. Termen uit de 18e eeuw en eerder. Uit de aantekeningen van een vroegere onderzoeker van de oudheidkamer ontlenen we de kennis van de gebeurtenissen rond Heerenveen rond 1748. Als een lont in het kruidvat van de zgn. Pachtersoproer in de grietenij Schoterland wordt in 1748 het gerucht onder het volk, dat grietman Menno Coehoorn van Scheltinga de rechtkamer zou hebben verplaatst van Oudeschoot (‘De Drie Pilaren’) naar Heerenveen (‘alwaar 't wapen van Schoterland uithangt’). De eigenaar van het Oudeschoter etablissement zou daardoor een belangrijke bron van inkomsten gaan missen en zijn ‘zeer onrustige geest’ zou uit rancune de knecht van de grietman hebben gesard en gestoten.
Vaststaat dat in het Reeëlkohier van Heerenveen-zuidzijde van 1749 onder kohiernummer 110 en 111 als eigenaren staan aangegeven van “een huys zijnde de herbergh”: Notaris publicus Egbartus Oosterkamp nom. uxor. (mede namens zijn 2e vrouw Magteltje van Putten), voor de helft, en Ruurd Ruardi, voor de helft. De exploitant is de herbergier Hendrik Terweel. Reeds in 1748 zwaait hij daar de scepter in een pand met 4 schoorstenen met een gezin van 3 hele hoofden en als vee: één rier (vaars). Een volgende gebeurtenis, die in het Nedergerechtsarchief wordt ondersteund door een ‘acte van koop van een dubbel huis en herberg’, wordt beschreven in 1755. Bij die transactie verklaart Evert Veurman, meester chirurgijn op ‘t Heerenveen, schuldig te zijn aan Magteltje van Putten, huisvrouw van Egbartus Oosterkamp, een som van 1024 goudguldens en 28 stuivers, voor de overdracht van het dubbele perceel waar het wapen van Schoterland uithangt, maar ook voor een deftige nieuw gebouwde huizinge c.a. daarachter. De bovenkamer daarvan is gedurende jaren door de grietenij Schoterland als ‘regtkamer’ gebruikt. Op dat ogenblik wordt het bewoond door de weduwe en kinderen van Marten Engeles. (R.A. toegang 13.40, inv. 181, pag. 151v) Kastelein Evert Veurman ziet kans als borg voor de koopsom over te halen de jeneverstoker Arjen Antony van Merken, meester stoker, voor een totaal bedrag van Car. glds. 1574-13-12. Daarvan is een ‘renversaal’ uit hetzelfde jaar. In het speciekohier van 1756 blijkt Evert Veurman van de 4 schoorstenen anderhalf te hebben ‘digtgem.’ om het bedrag schoorsteengeld naar beneden te brengen. Zijn welstand is met twee halve hoofden dan ook aanzienlijk bescheidener dan de 3 hele hoofden van zijn voorganger Terweel. Met 2 koeien is hij grotendeels zelfvoorzienend en het tweetal paarden zou kunnen wijzen op het niet helemaal willen loslaten van zijn chirurgijnspraktijk.
De verkoopadvertentie in de Leeuwarder Courant van 5 januari 1771 bevat een openhartige ontboezeming. Hij laat schrijven: “door het meenigvuldige aanstaan eeniger zyner Patienten om uit de HERBERG te gaan woonen, is dezelve geresolveert om zyn Herberg uit de hand te verkopen.” Duidelijk is het frisisme ‘oanstean’ te herkennen, wat dus wil zeggen, dat hij op gedurig aandringen van enkele van zijn patiënten heeft besloten z’n herberg te verkopen. Hij verzekert de mensen dat je er goed de kost mee kunt verdienen, mede door de aanwezigheid van een kolfbaan, boven-en benedenkamers en stalling voor meerdere paarden. Het lukt hem in 1771 nog niet, maar hij doet eind december 1771 nog een tweede poging om het uit de hand te verkopen. Ook die poging heeft geen resultaat en hij moet besluiten er te blijven. Bijna tien jaar later doet hij opnieuw een poging zijn herberg te slijten door een ‘gastmaal’ te organiseren, vanwege het feit dat hij al meer dan 25 jaar zijn affaire met veel succes heeft gedaan en zelfs nu noch voortzet. Maar ...... als er iemand is die er gading naar maakt, zal hij in alle billijkheid accoord gaan met verkoop. De situatie blijft onveranderd tot hij in 1784 overlijdt, en op 4 december van dat jaar komt het onder de hamer. Inmiddels wordt Alt Hessels, die kort daarvoor met de weduwe Krijn Jitzes (Wybrigjen Alberts) van specienummer 82 is getrouwd, in de advertentie als de kastelein van het Wapen van Schoterland genoemd. De ‘actuarius’ - de man die de openbare veiling leidt - is G. van Terwisga van Heerenveen, die uiteraard de klandizie van de veiling gunt aan Alt Hessels. Onderdeel van de veiling is de “Oude Regtkamer”, die wordt aangeduid als zeer geschikt voor pakhuis.
De eerste bieding op de tapperij blijkt 1525 goudguldens te zijn geweest en de ‘Oude Regtkamer’ brengt het bij de provisionele veiling niet verder dan 200 goudguldens en 7 stuivers. Op 4 december is de finale palmslag van 5 uur ‘s namiddags.
Noch enkele aanwijzingen voor de ouderdom van deze prentbriefkaart vinden we aan de overkant. Die informatie ontlenen we aan de rubriek “Ut it Feanster printeboek” troch Dick Bunskoeke, welke op 7 oktober 1987 in De Koerier heeft gestaan. Hij somt een aantal zaken aan de oostkant van de Dracht op, die allen nog hun eigen stoep - soms zelfs met hekwerken en fietsenrek hebben liggen aan de de bestrating met klinkers en ‘kinderhoofdjes’.
Drogist B.J. Talsma blijkt op 19 december 1916 reeds een overeenkomst met wijnhandelaren Ferwerda & Tieman tot uitvoer te brengen in het pand aan de overkant van de straat de Dracht op nr. 221. Aan de gevel hangt een reclamebord met de namen van die landelijke firma. Dat huisnummer werd in 1921 vervangen door het nummer 216. In 1931 wordt dan het nummer gekoppeld aan de straatnaam en wordt het adres: Dracht 25. B.J. Talsma wordt in 1941 opgevolgd door zijn zoon Johan Bernard, die hetzelfde beroep heeft gekozen. In 1962 maakt hij plaats voor Pieter Wiersma, die aan de drogisterij een minstens zo bekende fotohandel heeft verbonden. Mogen we aannemen, dat Piet Wiersma door ‘Foto Wiersma’ te stichten aan de Lindegracht zich meer als fotograaf is gaan opstellen en de drogisterij op de Dracht heeft toevertrouwd aan Willem Jongejan, die in november 1972 op de woningkaart wordt bijgeschreven. Overigens, aan de westkant is ook nog een bord aan de gevel met de tekst: “Lunchroom”. Frederick Hartmann heeft daar als banketbakker - in 1911 hier begonnen - een lunchroom aan de zaak verbonden. Bij de verbouwing van 1919 is er door R. Post & Zoon een (melk)salon gesticht van 19.50 m2 oppervlak, zodat er zelfs bijeenkomsten van de schaakclub konden worden gehouden. Destijds is het Dracht no. 394, tegenwoordig is het Dracht 40.
2015, mei 3 - wibbo westerdijk - hip-backup

In 1315 is op de huidige plaats van de Rotondekerk al een kapel, gewijd aan de heilige Catharina. In de Rotonde kerk werd 50 jaar geleden begonnen met de Onderwegdienst en het kerkje is 40 jaar in het bezit van de Stichting Alde Fryske Tsjerken. Er werd ter gelegenheid van het 700 jarig bestaan stilgestaan met speciale kerkdiensten. Zondag 19 juni 10 uur Kerkdienst geleid door pastoor J.Alferink en ds. P.Nijssen Zondag 19 juni 15.30 uur Piter Wilkes met de premiere van zijn tournee langs de 5 kerken in Friesland.
Entree 12,50 ReserverenHIP-TIME MAGAZINE 60

HEIDEBUREN MET SPEKBRUG, 1887
Het boek ‘Vereeuwigd’ door Frédérique van der Palm, blz. 46, afbeelding 42 spreekt van “Gezicht op de Heideburen met de Spekbrug in de winter”; olieverf op doek, 40 x 59,5 cm, Museum Willem van Haren inv. nr. 188. In een potloodschets in het eerste schetsboekje van Klaas Krikke ‘himself’ geeft hij als titel “De Spekbrug te Heerenveen op de Heideburen” en - wat erg belangrijk is - bovendien als jaar van ontstaan ‘1887’.
De Oudheidkamer-organisatie anno 1969 heeft op 6 september 1969 dit bijzondere schilderij van Klaas Krikke ontvangen van de erven H. Beck te Heerenveen.
De voorstelling zelf oogt zeer mathematisch, met een bijna klinisch nauwkeurige aanpak en langs strakke lijnen opgezet. De speelsheid moet gevonden worden in het drietal afgebeelde personen op het ijs met de bakslede en de twee wandelende mannen langs de gevel op de Pastoriesingel evenwijdig aan de Pastoriewijk en heel in de verte een derde persoon. Verder de twee kraaien - de inventariskaart spreekt van twee reigers - in de vlucht en twee meeuwen (???) op de wal , maar ook de bijt in het ijs en enkele forse scheuren. De bomen in al hun kaalheid lijken verschrikkelijk veel opelkaar. De sneeuwhopen zijn daarentegen weer zo echt als het maar mogelijk is.
Achter de bebouwing van de beide woningen aan weerszijden van de Spekbrug is sprake van een schuur, mogelijk een werkplaats. De Pastoriewijk loopt in de richting van Tjalleberd en wordt voorbij de schuren c.q. werkplaatsen zichtbaar onderbroken door sluisdeuren. Het beheer van het waterpeil van de achterliggende polder is een taak van het Polderbestuur van het 4e en 5e Veendistrict. Klaas Harmens Post heeft een sluiswachterswoning achter de ‘timmerwerkplaats’ van het rechtse pand.
De bewoningssituatie van rond 1830 van het linkse huis met erf is er eentje van eigenaar-bewoner Jan Wybes Nijholt, afkomstig uit Oldeholtpade. Hij staat op huisnummer 87 aan de Heideburen ingeschreven als ‘boer’. Zijn echtgenote Joukjen Keimpes de Boer is met 43 jaar een achttal jaren ouder. Het doopsgezinde gezin telt inmiddels vier kinderen tussen de 5 en 10 jaar oud. Inwonend staan in de Volkstelling van 1830 de 19 jarige boereknecht Hendrik Klazes Buwalda en de 15 jarige werkmeid Sjoerdtje Sjoerds van de Wouden. Onder hetzelfde huisnummer staan ook ingeschreven arbeider Tjeerd Roels Bakker (30) en zijn ega Antje Lieuwes Hemminga (27) met drie kinderen. Het lijkt erop, dat er een arbeiderswoning aan is verbonden.
Jan Wybes Nijholt blijkt in 1816 te werken op de boerderij aan de Dracht, de zgn. Boerehek, maar wordt al snel de ‘bedrijfsleider’ van de wed. Keimpe Sijtzes én - inderdaad uw gedachte is juist - hij trouwt op 10 mei 1818 met de enige dochter van de weduwe: Joukjen !
Honkvast als hij is woont hij bij de volkstelling van 1850 nog steeds op Heideburen 87 (en kadastraal Heerenveen A-127). De beroepsaanduiding switcht met name in de personele omslagen regelmatig tussen ‘huisman’ en ‘boer’. Bij het overlijden van Joukjen in 1856 wordt Jan Wiebes Nijholt nog als ‘boer’ aangeduid’, maar op 12 mei 1859 laat hij zich opvolgen door zijn oudste zoon Keimpe Jans Nijholt (1822). Overigens zijn er dan nog een paar kinderen uit dit huwelijk inwonend. Geeske (1820) en Wiebe (1824). Keimpe is in 1844 al getrouwd met Berber Haijes Hornstra uit St. Johannesga en heeft sindsdien onder Nijehaske geboerd. Daar is hun gezin gegroeid met vijf jongens (Jan, Haije, Fedde, Wijbe, Tjebbe) en twee dochters (Sijtske en Joukje). In Heerenveen komen er nog twee meisjes bij (Anke, en Geeske, die slechts 10 maanden oud wordt.) Keimpe wordt in het bevolkingsregister 1860-1870 overigens ‘landbouwer’ genoemd. Helaas overlijdt hij op 6 juli 1866, nog slechts 44 jaar oud. Drie jaar later sterft ook zijn inwonende vader Jan Wiebes Nijholt op 3 mei 1869, die de respectabele ouderdom van 76 jaar haalt. Weduwe Berber zet - met de hulp van haar kinderen - het bedrijf door als ‘veehoudersche’, maar in de loop van de jaren tachtig zwermen de meeste daarvan uit en ziet ze zich genoodzaakt de hulp van een ‘meid’ in te roepen. Zoon Fedde wordt de opvolger per mei 1888. Hij is dan al een aantal jaren gehuwd (sinds 1882) met Hiltje Sybes Hartmans en heeft in Lippenhuizen wat ervaring opgedaan. Met Berber, Siebe en Keimpe komen ze naar Heerenveen. Niettemin besluiten ze in 1893 hun boerengeluk te gaan beproeven in Oldelamer, waar ze zich op 12 mei 1893 vestigen.
Moeder Berber Nijholt-Hornstra (1820) blijkt ijzersterk en gaat met hulp van zoon Haije opnieuw de uitdaging aan. Ten tijde van de winter van januari 1887 zijn zij beiden de enige bewoners van het in 1879 vernummerde huis - van 87 naar 153. Die winter begint wat aarzelend, want de ijsverenging ‘Thialf’ moet de voor donderdag 6 januari geplande hardrijderij voor mannen eerst uitstellen tot dinsdag de 11e en vervolgens tot maandag de 17e. Die dag komen op de Munnikspetten 33 ‘betûfte’ hardrijders voor de prijs van fl.100,- en een premie van fl.30,- op de baan. Marten Kingma uit Grouw pakt de prijs en Rinke van der Zee uit Workum de premie. Zoals gebruikelijk is de prijsuitdeling in het Posthuis.
Zelfs aan het welbestede leven van de weduwe Nijholt-Hornstra komt een einde. Op 20 april 1898 dooft haar levensvlam definitief. Haije vertrekt een klein jaar later naar Munnikeburen. Hij heeft een half jaar een groot deel van het huis beschikbaar gesteld aan kommies Sijtze Postma met vrouw en vier kinderen. Deze verhuizen intern in Heerenveen in october 1898.
Het opvallende huis bij de Spekbrug op de Heideburen op deze afbeelding wordt in korte tijd vier keer verkocht: 1. door wed. Nijholt-Hornstra c.s. aan Siebe Thaes Bakker; 2. door Siebe Thaes Bakker aan Tinus Pieters Agter c.s; 3. door Tinus Pieters Agter c.s. aan Jaring Jarings; 4. door Jaring Jarings aan Hendrik Johannes de Jong. Laatstgenoemde (geb. 1863 Oenkerk en gehuwd met Anna Makkinga) vestigt daar met behulp van een hinderwetvergunning van 10 mei 1900 zijn slachterij in. “Vereeniging, sloping en herbouw” onder zijn leiding maken er een iets groter perceel van (2.40 are) onder kadastraal nummer A-2383, en later door herbouw en bijbouw onder kadaster-nummer A-2409. De uiterlijke veranderingen zijn waarneembaar op b.v. een ansichtkaart uit 1919.
Aan de Voormeerzijde van de Spekbrug vinden we over de adressering eigenlijk pas in het Register der Gebouwen in de Gemeente Schoterland uit 1852 (SCO 1054) voor het eerst de zekerheid van huisnummer 88. Overigens kleefde ook al in 1837 aan dit nummer uit de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel uit 1832 het kadastrale nummer A-129. De finale toewijzing bij aktenr. 116, beschreven door notaris Gauke Peeting, op 27 mei 1837 gebeurt op verzoek van Antje Harmens Cornel, weduwe van schoenmaker Jacobus van Kempen en al haar kinderen, hun aanhang en kleinkinderen. De nieuwe eigenaar heet Gerrit Pieters Ponne, wonend in het Meer, die voor fl.378,- dit huis met erf, bleekveld en tuintje c.a. koopt. Ponne continueert de verhuur aan de 52 jarige uurwerkmaker Evert Teunis van der Werf, die geboortig is uit Joure, en er sinds 1832 met zijn 51 jarige vrouw Akke Jans en twee dochters Grietje (1822) en Antoinette (1830) reeds wonen. Het gezin is rooms-katholiek en heeft het daarvoor gewoond aan de Heerenwal-Nijehaske.
In 1840 maken zij plaats voor Geert Siebes Hoekstra (1806), timmerman, die er volgens de Staten van de Loop der Bevolking in ieder geval van 1841 tot en met 1849 staat ingeschreven. Geert heeft in 1838 Hiltje Gerrits Ponne gehuwd en is door schoonvader Gerrit Pieters Ponne enigszins in het ‘zadel’ geholpen. In de periode 1838 tot 1855 completeren zes dochters het gezin: Akke, Johanna, Janke, Corneliske, Imkje en Geertje. De harmonie wordt op 25 augustus 1865 verstoord met het overlijden van moeder Hiltje, en nog geen jaar later moeten de zussen ook afscheid nemen van Corneliske op 25 juli 1866. Geert verbreedt zijn aktiviteiten met een winkel en heeft in de periode 1870-1880 nog drie ongehuwde dochters thuis. Soms ligt zijn timmerwerk naast de deur, want op 16 december 1878 excuseert het Polderbestuur van het 4e en 5e Veendistrict zich bij het bestuur van Schoterland. Zij hebben verzuimd te waarschuwen voor de stremming van de passage door rijtuigen over de brug in de Pastoriewijk. Overigens moet daar zo te zien wel enige lef voor nodig zijn geweest. Zo ook voor de belasting door de stoomtram naar Gorredijk, die in 1882 in gebruik komt. Timmerman Hoekstra heeft al enige tijd geleden de opdracht gekregen een nieuwe brug te maken, maar hij krijgt te maken met vertraging. Zodoende heeft hij de nieuwe brug pas op 18 en 19 november kunnen leggen. In de Leeuwarder krant is die datum wel aangekondigd maar het Polderbestuur heeft verzuimd het gemeentebestuur in te lichten. Overigens praten ze slechts over de ‘brug over de Pastoriewijk te Heerenveen, in den Rijdweg naar Gorredijk’. Dus nog niet over de ‘Spekbrug’. Het is één van zijn laatste klussen geweest, want op 6 februari 1880 gaan verver Hendrik Fokkes Groen en IJme Fokkes Groen, koetsier, naar Oenemastate om aangifte te doen van zijn overlijden. De vorige avond om 7 uur is hij overleden op 73 jarige leeftijd in het huis met no. 154.
De oudste van de drie ongetrouwde dochters Johanna Maria Hoekstra wordt hoofd van het gezin en wordt in het register als ‘winkeliersche’ aangemerkt. Geertje vertrekt tenslotte op 4 october 1882 naar Hilversum, zodat voortaan Johanna en Janke samen zich gaan toeleggen op kamerverhuur en het onderdak bieden aan ‘vrouwen met een baan’. In de laatste categorie treffen we de onderwijzeres Attje Gaasterland aan, die is begonnen op school 3 (armenschool) en in 1896 wordt bevorderd naar school 2 (de 1e Hollandsche School). Daar leert ze vrijgezel Linze de Jong kennen, waarmee ze in 1898 trouwt. Ook Janna Maria Laverman is als onderwijzeres aan school 3 enige tijd hier woonachtig geweest. Haar kennen we ook als secretaresse van Ned. Ver. tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken. Jantje Jans de Jong uit Luinjeberd heeft twee jaar haar wandelingetje over de Spekbrug naar één van de plaatselijk apotheken gemaakt. Ze is daar apothekersbediende.
Ten tijde van de winter van 1887 is de samenstelling van het gezin Hoekstra derhalve: Johanna Maria, Janke, inwonende Wilhelmina Visser en inwonende Elizabeth de Boer.
Tenslotte proberen we ons een beeld te vormen over een verklaring van de naam ‘Spekbrug’. Heel lang hebben we gedacht, dat de slager Hendrik Johannes de Jong met zijn bedrijf op dit punt de ‘naamgever’ is geweest. Maar die begint hier pas in 1900. Ook is vroeger de beroepencombinatie ‘veehouder-slachter’ geen ongebruikelijke geweest, maar deze gedachte valt niet met namen te staven. Een ‘Google’-aktie lijkt een aannemelijke oplossing te bieden.
In het Vlaamse land zou een ‘spek’ (spik, spijk) zijn afgeleid van het woord ‘specht’, wat een kleine houten brug betekent. Dan is verder de vraag nog: heeft schilder Klaas Krikke in zijn schetsboekje in 1887 de titel met daarin het woord ‘Spekbrug’ er meteen in gezet of pas later ? Vermelding in een courant vinden we namelijk pas voor het eerst op 15 augustus 1898. De versie van het plaatselijke Nieuw Advertentieblad luidt samengevat: De warmte van die dag maakt een drietal jongelui zo loom, dat ze de ‘Spekbrugleuning’ zoeken om tegen aan te hangen. Deze kan de last niet torsen en bezwijkt. Twee van de drie tuimelen voor een fris bad te water. Voor het zoeken van hun petten gaan ze bij lantaarnlicht nog een keer te water. De Leeuwarder Courant die dat bericht ook plaatst in haar exemplaar van de 17e augustus 1898, laat twee jongelui een zitplaats zoeken op de leuning welke breekt en de kameraden te water doen raken. Voor het redden van de hoed van één van de twee wordt voor de tweede keer te water gegaan, alvorens druipend naar huis te gaan.
Een tweede vermelding vinden we in door Notaris R. Barends opgestelde advertentie voor de veiling van de Huizinge c.a. ‘bij de dus genoemde Spekbrug’, afkomstig van de familie Nijholt, thans onbewoond. Dat is in het Nieuw Advertentieblad van 25 oktober 1899. Tenslotte de derde vermelding tevens met anekdotische waarde. In het Nieuw Advertentieblad van 11 juli 1900 zegt het bericht van 9 juli: “ Mej. J.H., bij de Spekbrug alhier, had heden het ongeluk over een drempel te struikelen en het dijbeen te breken. Heelkundige hulp werd spoedig verleend.” Als dat Janke Hoekstra niet is, heeft de Spekbrug nooit bestaan !
De eerste 17 jaren van de 20e eeuw wordt de slagerij voor Hendrik Johannes de Jong zijn dagelijkse werkplaats. Eerst als Heideburen 153 en sinds 1910 Heideburen 138. Na de overdracht aan slager Alle van der Weg vindt in 1921 een vernummering plaats naar Heideburen 133. Tussen 1927 en 1934 vertrekt van der Weg en komt G.H. Bouma, eveneens slager. Daarna vermelden de adresboeken van 1936, 1938 en 1949 de naam van slager Jac. van der Laan en de laatste slager blijkt L. Veltman te zijn geweest. De juiste periode waarin F. Stuivenwold van de slagerij een bakkerij maakt, moeten we nog vaststellen, maar een in 1959 gedateerde ansichtkaart laat een aantrekkelijke etalage zien en een in zwierige letters op de toegangsdeur vermelde naam. Bijna tien jaar later op 12 december 1968 verwoest een brand het bakkerspand (kortsluiting?, oververhitting?), waarbij het gezin van zes personen ternauwernood kan worden gered. Het komt niet meer tot herbouw. Na afbraak krijgt de inmiddels Zonnebloemstraat hetende straat een verbrede uitgang op de Heideburen. Uiteraard is daar in 1946 al aan voorafgegaan de demping van de Pastoriewijk.
Na het herstel van Janke Hoekstra blijft ze er nog jaren wonen. Het adresboek van 1927 vermeldt voor het laatst haar naam op deze locatie. Broodventer Fokke Mulder, die aanhanger is van de ideale en utopistische maatschappijvisie van Edward Bellamy (1850-1898) en daar ook van getuigt, is er daarna komen wonen. Na een korte periode van leegstand vestigt er zich in de begin jaren zestig Klaas IJntema, die zich bezighoudt met de installatie van electro, gas, etc. Inmiddels is ook de ‘Sun & Beauty’ - een zonnestudio - al weer vervangen door Coroneth BV, die met Sibex Active Workwear en Bionic Technology ons animeert om de 21e eeuw met haar producten veilig tegemoet te zien.
2013, juni 30 - wibbo westerdijk - hip-backup

