Cat. Foto's met een verhaal
Molenwijk 1898
- Details
HIP-Time Magazine 21
Molenwijk 1898
Het is een maandagmiddag in 1898, de lange schaduwen van de schoorstenen verraden een gevorderd tijdstip op deze dag. De zon is immers al doorgedraaid naar het zuidwesten en de meest ijverige vrouwen hebben het witgoed al weer van de waslijnen gehaald. De late starters van die morgen moeten nog even geduld hebben voor ze kunnen strijken en vouwen. We mogen ervan uitgaan, dat de fotograaf een plekje op een breder gedeelte van de wal heeft gevonden om dit beeld te kunnen vastleggen aan de zuid-noord stromende Molenwijk. Die noordelijke richting wordt verraden door het punt van de toren van de ‘grote kerk’ van de Nederlands Hervormde gemeente Heerenveen (Schoterland), nauwelijks uitpiekend boven één van de grotere pakhuizen van het Achterom.
Middenin het beeld markeert een donkere aangebouwde schoorsteenpijp en stoommachinekamer met ketelhuis de voormalige vellebloterij met drogerij van leerlooier Luitje Feits, welke door notaris Douma van Gorredijk op 30 oktober 1875 finaal ten verkoop wordt aangeboden bij logementhouder W. Feenstra te Heerenveen. In de advertentie in de Leeuwarder Courant van de 24e daaraanvoorafgaande wordt als bijzonderheid vermeld “Eene voor korte jaren geheel vernieuwde Vellenblooterij met Pakhuis en Bergplaats, ten westen van de Molenwijk te Heerenveen, ....”. Er worden al voorlopige biedingen in de aankondiging genoemd. Blijkbaar zijn deze bedragen in deze finale verkoop niet verhoogd en zijn de vastigheden ingehouden, want in de krant van 30 november worden exact dezelfde vastigheden (onder verwijzing naar de veiling op 16 october 1875) opnieuw aangeboden voor finale verkoop door Douma op zaterdag 4 december d.a.v. Ook nu weer bij de logementhouder W.K. Feenstra. Laatstgenoemde heeft net dat jaar 1875 de exploitatie overgenomen van zijn moeder de weduwe Klaas Wiebes Feenstra, die vele jaren samen met haar man de tap heeft bediend in het hoekpand van de Dracht met het Breedpad: Logement ‘s Lands Welvaren (1842-1875).
Die schoorsteen lijkt een noodzakelijk attribuut voor de drogerij van de ‘geblote’ vellen en voor de ‘wol’. We weten, uit een bericht van de Leeuwarder Courant van 19 februari 1867, dat een hevige brand op de 18e, ‘s ochtends om 6 uur, in de velleblooterij van L. Feits een naar beneden vallende stapel wol vernietigt. Het heeft boven een kachel te drogen gehangen. De brandspuit, ook die van Nijehaske, kan een aanzienlijke schade niet voorkomen, maar gelukkig kunnen ze een deel van de voorraad schapewol wel redden. De verzekering dekte de schade maar voor een deel.
Het is duidelijk dat de verkoop in 1875 daarom ook spreekt van ‘een voor korte jaren vernieuwde velleblooterij’.
Dick Bunskoeke heeft in 1987 fotonummer 173 ook eens van een tekst voorzien en schrijft, dat in 1891 bij de looijerij een stoommachine wordt geïnstalleerd. Dat verklaart ook de schoorsteen, die niet alleen voor de leerlooierij wordt gebruikt maar ook voor de schorsmaalderij. Deze datering is spijtig genoeg niet overeenkomstig het Schoterlandse archiefinventarisnummer 2383 en daarvan de hinderwetvergunning nr. 31. Deze door Lambertus Feits Gzn. aangevraagde vergunning voor de plaatsing van een stoommachine in de schorsmalerij en leerlooierij wordt hem gegund per 17 december 1887.
Op de valreep van het fabrikantenbestaan - veroorzaakt door een recessie in het looiersbedrijf, maar vermoedelijk mede door kerkelijke besoignes - investeert Luitje Feits Lzn. in het kadastrale dienstjaar 1872 nog wel in de bouw van in totaal 20 dienstwoningen langs de Molenwijk. De woningen worden gedekt met (goedkope, ongeglazuurde)rode pannen en sindsdien is dat gebied bekend in het Heerenveen als het "Roode Dorp". Op deze foto staan bijna al deze éénkamer woninkjes afgebeeld. Het gaat financieel evenwel volledig mis, zodat door notaris Arjen Binnerts op 10 en 11 april 1873 een boedelbeschrijving van Feit’s failliete boedel wordt opgemaakt. Na de verkopingen door notaris H. Douma uit Gorredijk in 1875 annonceert notaris Boschloo een verkoping op 4 en 11 mei 1876, met o.a. als derde perceel: twintig nieuw gebouwde woningen, het "Roode dorp" genoemd.
Het College van Diakenen der Hervormde Gemeente Heerenveen (N.A. Hingst, G. Matthijssen, S.W. Taconis, H. Lenos Hzn) kopen 18 kamers aan van L. Feits Lzn. en vragen op 8 mei 1877 aan het bestuur van Schoterland of ze de eindwoningen buiten de verordening om mogen verkleinen ten behoeve van uitwerkende weduwen. De stadsarchitect Willem de Graaf zal daarover adviseren. (SCO 563). In een handschrift van Anske Harmens Dijkstra wordt het wonen in de éénkamerwoningen onder de armoedegrens boeiend beschreven. De kerkelijke armvoogdijorganisatie of de diaconie plaatsen er die families, welke ondersteuning nodig hebben. De animo om er te wonen blijkt evenwel niet al te groot. Anske en zijn moeder dienen na de dood van man en vader Harmen de overstap te maken van de Konijnenpolle naar een woning op het Roode dorp. Reeds in 1893 worden door het college van diakenen van de Hervormde Gemeente Heerenveen deze diaconiewoningen aan het "Roode Dorp" te Heerenveen te huur aangeboden. Dat betekent dat ook anderen dan de kerkelijk gealimenteerden er kunnen huren.
Eén van de meest noordelijke woningen (onder kadasternummer A-3639) krijgt later bekendheid als ‘Logement, Bier-en Koffiehuis De Wekker’ van M. Jasper. In de rubriek van de Leeuwarder Courant "Heerenveen in vroeger dagen" heeft (vermoedelijk) Leo Leenes de tekst laten opnemen: “Na de pakhuizen aan de rechterhand volgde een huizenreeks. In het eerste pand was destijds (voor de demping) gevestigd het logement "De Wekker" waar veel pinda-Chinezen hun produkten (pinda-pinda-lekka-lekka) brouwden”. In 1934 is dat Roode Dorp no. 12. Een kleindochter van pake Jasper blijkt in 2002 erg teleurgesteld, dat er zo weinig beeldmateriaal van het logement is.
Het smalle stenen paadje komt naar ons toe vanaf het bruggetje over de wijk als verlengde van de Molensteeg en komt dan uit op de verbindingsstraat Van Riesenstraat, die ook weer met een bruggetje de Molenwijk overspant.
Langs het pad ziet u de zgn. ‘bjinstap’ op enkele plaatsen in de wal aangelegd en die in sommige gevallen wel eens een onvrijwillige tewaterlating tengevolge heeft gehad. Het spel van kinderen aan de waterkant loopt ook wel eens verkeerd af. Zo raakte in juni 1910 een knaapje bij de brug bij de Molensteeg in de vrij diepe Molenwijk. Die dag onderscheidt de 70 jarige Nathan Smeer zich door “zijn Sabbath-pak niet sparende” kloekmoedig de drenkeling na te springen en “hem naar het rijk der vasteland-bewoners terug te brengen”. De verslaggever spuugt zijn gal op alle kijkers die ruimschoots aanwezig zijn, doch niet ingrijpen. De oude Nathan levert een kranige daad.
Aan de Drachtzijde van de Molenwijk eindigt het voetpad van het Achterom met de laatste steeg haaks op de Dracht. Dat is de Zwartesteeg, die zelfs in een raadsverslag van Schoterland van 6 juni 1929 de naam ‘Zwarte Paardensteeg’ wordt genoemd. De steegwoningen zijn in de dertiger jaren van de vorige eeuw voor een groot deel al ‘onbewoonbaar verklaard’, omdat ze niet meer aan de meest minimale voorwaarden kunnen voldoen. Twee panden aan de noordzijde van de steeg en het meest westelijk gelegen vlakbij de wijk hebben aanvankelijk een bestemming als pakhuis met erf van koopman Lambertus Feits (rond 1840) en komen na een aantal keren te zijn doorverkocht uiteindelijk in handen van Thomas Hendriks Kroon in 1929.
Het is dan al een aantal jaren een zogenaamd ‘Volkslogement’. Kroon noemt het overigens ‘Kosthuis’, hij biedt ‘nachtlogies’ voor 40 cent met 9 koppen koffie. Bij een overdrachtacte van eerdere eigenaar K. Sikkema in juli 1928 krijgen we enig inzicht in de indeling van het pand/de panden. Beneden een woonkamer, alkoof, gelagkamer en keuken; boven: opgang met overloop, grote slaapkamer, zolder en grote slaapzaal. Die laatste is dus zo ingericht geweest, dat je voor weinig geld een bed kunt huren en ‘s morgensvroeg uitgebreid koffie kunt drinken. U kunt zich voorstellen, dat dit klanten aantrekt met een kleine portemonnee. De extra foto is afkomstig uit de Leo Leenescollectie nr. 1267, die is opgenomen in het fotoarchief van het Museum Willem van Haren onder nr. 12654. Het is geweldig om in een oktoberkrant van 1964 te lezen, dat Leo Leenes van de Oudheidkamer op een Kernavond juist met deze plaat van het Volkslogement de blitz maakte: overnachten voor 40 cent en 9 koppen koffie !!!
Het grote ‘pakhuis’ of ‘schuur’ (rechts) maakt omstreeks 1900 deel uit van de bezittingen van de erven van Haring Pieters Romkes, waarvan zoon Pieter voor meer dan de helft het eigendom heeft en tevens gebruiker is. Hij blijkt veehouder en winkelier en wordt later opgevolgd door zijn zoon Kees Romkes, die ook veehouder is. De kavels tussen de Zwartesteeg en de Romkessteeg hebben geen achterompad meer, d.w.z. de bebouwing loopt van de Dracht door tot de oever van de Molenwijk.
De bevaarbaarheid van de Molenwijk is in 1898 nog behoorlijk gewaarborgd, omdat de houtzaagmolen “De Fortuyn” van Andries van Riesen er toch nog veel gezaagd hout moet opslaan. De molen is dan al een tiental jaren geleden onttakeld, maar nieuwe machines hebben er hun plaats wel gevonden. Maar in het eerste kwart van de twintigste eeuw verandert er voor de Molenwijk veel: het onderhoud loopt terug, er treedt een verlandingsproces op en er wordt ontstellend veel vuil in het water gedumpt. Het resultaat is tenslotte demping in 1934/1935.
2012, augustus 5 - wibbo westerdijk - hip-backup
Leeszaal jaren 30
- Details
HIP-TIME MAGAZINE 68
September 1918
Het interieur van deze grote ruimte wordt op foto 01792 uit de collectie van het museum Willem van Haren voorzien van de kernachtige toelichting ‘Leeszaal 30er jaren’. Het is weer zo’n natte vinger datering en daar moeten we het mee doen. We achten dit evenwel iets te mager om er om die reden aandacht aan te besteden. Nadrukkelijk willen we van deze foto enkele details noemen, die op de originele foto goed waarneembaar zijn. Op de leestafel - ongeveer in het midden staat een bordje met de tekst NIET ROOKEN. Op de toegangsdeur naast de schoorsteenmantel staat GNAGEOT NEEG RAAJ 81 NEDENEB NENOSREP. Omdat het op buitenkant van de ruit staat (voor ons in spiegelschrift) dienen we te lezen: PERSONEN BENEDEN DE 18 JAAR GEEN TOEGANG. Ten overvloede zit naast de tweede toegangsdeur tegen de zijkant van de boekenstelling nogmaals een bordje met NIET ROOKEN.
Om te kunnen vergelijken hebben we het fotoarchief van het museum uitgekamd op zoek naar meer exemplaren van dat interieur. Uit het beeld van fotonr. 04693 kunnen we opmaken, dat de fotograaf van ‘onze’ foto 01792 met zijn rug tegen de oostelijke muur van de leeszaal heeft gestaan. Hij heeft namelijk de gehele leestafel in beeld kunnen brengen. Gelukkig hebben we er ook nog eentje (in drievoud MWvH., nr. 00711, 00852 en 00861)) kunnen vinden, die bijna hetzelfde beeld laat zien met een aantal verschillen. Het accent van deze andere foto ligt op het achterste deel van het vertrek, waarbij de linkerzijkant van de foto de verticale lijn van het ophangsnoer van de linkse lamp vormt. Een tweede opvallend verschil is de complete afwezigheid van de meer dan prominente zwarte kachelpijp en de daaraan gekoppelde hoge allesbrander. De achterwand als publicatiebord is op onze foto zeer bescheiden in gebruik, terwijl onze vergelijkingsfoto het beeld vertoont van een zeer goed gevuld aanplakbord. Evenwel het meest opvallende verschil is het op ‘onze’ bovenstaande foto volstrekte gemis aan menselijke aanwezigheid, terwijl dat op ons vergelijkingsexemplaar totaal anders is. Niet alleen zit daar de bibliothecaresse K. Sipma aan haar desk vlakbij de toegangsdeur met het bureaulampje op het blad, terwijl in de verste hoek voorbij de toegangsdeur een vergadertafel met een zestal stoelen er omheen een aantal heren met ‘vadermoordenaars’ zitplaats biedt voor een ‘ongedwongen pose’. Tevens zit in diezelfde hoek ook een tweede dame - Mejufr. Maria Welmoed van der Hardt Aberson, oudste dochter (geb. 1897) van de Rijksontvanger op de Heerenwal - te werken aan een tafeltje. Het herengezelschap is ons voorgesteld door de in 1989 hoogbejaarde, eerste directrice mw. K. Venhuis-Sipma. Zij noemt de namen van mr. M. de Muinck, de heer B. van der Pol; ds. te H.W. te Winkel (Nijehaske), ds. Simon Winkel (Fok-kerk); mr. H. Binnerts en J.J. Veenenbos. (Mr. Halbe Binnerts is één van de initiatiefnemers van het eerste uur en wordt later voor zijn verdiensten benoemd tot ‘eere-voorzitter’). Eén van de heren staat bij een boekenkast geïntresseerd te lezen en een besnorde heer heeft alleen aandacht voor de aktie van de fotograaf. De andere vier heren zitten aan de tafel te lezen. Deze namen geven al een indicatie, dat ook onze foto van oudere datum moet zijn. De overeenkomsten zijn opvallend, hoewel we ook weten dat men vroeger minder geneigd is om een interieur snel te veranderen.
Voor een authentieke passage uit het verslag van een journalist van het Nieuwsblad van Friesland op de 26e september 1918 citeren we: ...”In de zaal met in 't midden een groote tijdschriftentafel, aan den wand een aantal kleinere tafels, wat meer achteraf een paar schrijftafels ten behoeve van studeerenden. Een menigte gemakkelijke stoelen noodigt tot een zitje. Een fraaie reuzepalm verlevendigt het aanzien. Drie hoofdlampen en een aantal kleinere lampjes aan den wand, welker licht door stemmige kappen getemperd wordt, de gebloemde gordijnen voor de ramen, zullen op de lange, donkere winteravonden, welke wij tegemoet gaan, het geheel maken tot een knusse gezelligheid, waarvan het scheiden moeilijk valt.” ...
Mevrouw K. Venhuis-Sipma vertelt in 1989, dat de reuzepalm al snel dood was door luis; dat de lampekapjes gemaakt zijn van batik en de gordijntjes van cretonne (een sterke katoenen stof). Duidelijk is aan beide foto’s te zien dat de lichtinval van de rechterkant van de foto komt. Daar bevinden zich de vensters van de hoge ramen aan de straat ‘Achter de Kerk’.
Het kan niet langer verhuld worden: de “Vereeniging Openbare Leeszaal en Bibliotheek Frieslands Zuidoosthoek” is in 1918 gestart in het gebouw op de hoek van de Vleesmarkt met de straat Achter de Kerk. Onze laatste horeca-exploitant (eetcafé) Harry Kuiper - inmiddels ook al weer elders werkzaam - zet het gebouw nog weer eens op de kaart door als naam ‘De Bieb’ te kiezen.
De volledige bovenverdieping krijgt in 1918 de functie van leeszaal voor volwassenen, bereikbaar via een smalle en steile trap. De jeugdleeszaal bevindt zich op de begane grond, waar in een latere fase in de tijd de Oudheidkamer gebruiksrecht krijgt. In hoeverre de oorspronkelijke grote bovenzaal van het koffiehuis of café “De Drie Gemeenten” in de foto is terug te herkennen staat niet beschreven, maar we weten uit de krant dat in 1879 al een bovenzaal aanwezig is onder de voorlaatste kastelein Tjitze Pieters de Vries. Dat wordt nog eens bevestigd door een door B. en W. van Schoterland op 16 februari 1882 verstrekte vergunning voor de ‘verkoop in het klein van sterken drank voor de benedenkamer en bovenzaal zijner woning’, kad. Heerenveen A-1660 en gemerkt met no. 2. Of toen de geometrische figuren op het plafond zijn aangebracht weten we niet. De drievoudige herhaling doet vermoeden, dat het de laatste grote bouwkundige verandering van de bovenverdieping is geweest. Mogelijk ook op het moment dat de leeszaal er in wordt gevestigd. Dan is het 1918. Na de Koninklijke Goedkeuring op de statuten van de vereniging per 14 januari 1918 worden leeszaal en bibliotheek op 3 oktober 1918 officieël geopend.
De reeds eerder genoemde bibliothecaresse-directrice is mej. K. Sipma, die de functie bekleedt tot ze op 1 december 1924 trouwt met J.G. Venhuis, biologieleraar aan de Rijks-HBS. Een maand eerder heeft ze ontslag genomen. Daarna komt mej. N. van der Endt op 1 april 1925, die op 1 maart 1927 wordt opgevolgd door mej. Winkel. Laatstgenoemde is er van 15 juni 1927 tot 1 augustus 1932 om daarna te trouwen met de arts Dijkstra in Donkerbroek. Vanaf 1 november 1932 is directrice mevr. C.A.J. Thierens, welke na twee jaar vertrekt als ega van de heer Meijer. Mevr. H.J. Dijk staat in de lijst van functionarissen van 1934 in het adresboek onder de ‘Openbare Leeszaal ...’, maar staat niet in de alfabetische naamlijst. Zij verbindt zich na een periode van veertien jaar aan de heer Keuning. Zou ze buiten Heerenveen hebben gewoond ? Zij heeft tijdens haar lange carrière van 1934 tot 1948 diverse assistenten gehad, o.a. mej. M.J. van der Laan, mej. H. van Dam (1923-1942), Th. de Vries, T. Brandsma, B. Compaan, M. Bakker, J. Edinga, C. Dijksma en S. van der Werf.
Nu we toch even wat namen noemen, laten we U ook nog even kennismaken met de personen van het eerste bestuur van 1918 ! Mw. Venhuis-Sipma noemt de heren Mr. M. de Muinck, ds. H.W. te Winkel (Nijehaske), ds. S. Winkel (Fok-kerk), B. van der Pol, S.M. Noach, mw. F.A.D. de Gréve-de Sturler en J.G. Veenenbos als de eerste bestuursleden van de ‘Vereeniging’. In 1922 staan in het adresboek al enkele wijzigingen: afgetreden zijn dan al Mr. M. de Muinck, ds. H.W. te Winkel, B. van der Pol, en mw. de Gréve-de Sturler. Nieuw in het bestuur zijn A. Smilde, penningmeester; Ds. R.K.M. Hummelen, D. van Dijk en J.K. Dijkstra.
De adresboeken van de jaren dertig bewijzen hun bijzondere nut voor het vaststellen van de bestuursleden en veelal het personeel van instellingen, verenigingen en andere organisaties. Zo ook van onze Openbare Leeszaal en Bibliotheek “Frieslands Zuid-Oosthoek”. Drie adresboeken uit de jaren 1934/35, 1936/37 en 1938/39 voorzien in die informatiebehoefte.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog komen er allerlei voorschriften van hogerhand over welke boeken verwijderd en vernietigd moeten worden. Als verzetsdaad worden genoemde werken verborgen in de bedstee op de zolder van het bibliotheekgebouw. Werken die door de NSB worden aanbevolen zijn door de oorlogsoverheid gratis verstrekt en komen in de bibliotheek in een aparte kast te staan.
Van 1948 tot 1961 is mevrouw W.Th. Vlasveld directrice en zij wordt opgevolgd door mevrouw M. Hartman die deze functie tot 1970 heeft vervuld. Het werk in de bibliotheek wordt beschouwd als “vrijwillige arbeid met liefde gebracht”. Loon is dan ook geen eerste vereiste, en blijft ook ver onder de maat.
Zo bestaat in 1952 het personeel uit een directrice en 3 personeelsleden en zijn er 15.093 boeken. Het aantal uitleningen bedraagt dat jaar 50.666 en er staan 1.380 leden geregistreerd.
Niet minder dan een kleine ‘ramp’ vindt plaats als een deel van het gips van het plafond in de leeszaal naar beneden stort in 1959 (L.C. 16-12-1959), omdat de onderhoudstoestand niet zo goed meer is. Het plan voor nieuwbouw wordt nog niet goedgekeurd, want in september 1959 is meubelmaker F. Wierda verhuist uit de woning in het pand naar elders. Er mag voor fl.10.000 worden verbouwd. Pas op 6 januari 1964 neemt de buitengewone algemene ledenvergadering een aantal besluiten, die de bouw van een nieuwe leeszaal mogelijk maken. De firma Tj. Smits uit Sloten gaat de bouw voor fl.367.000 realiseren aan de K.R. Poststraat in het parkje van Crackstate. Op 9 juni 1965 wordt daar de nieuwe leeszaal in gebruik genomen.
Voor de beschrijving bij deze foto hebben we dankbaar gebruik gemaakt van de informatie van wijlen ds. H. Keuning. Hij heeft voor De Veenbrief van april 1998 een artikel samengesteld “Uit de geschiedenis van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek te Heerenveen”.
2013, oktober 20 - wibbo westerdijk - hip-backup
Le Roy-tuin Kennedylaan ±1977
- Details
HIP-TIME MAGAZINE 54
Met dit ongewone beeld van 14 bij 19 cm komen we in het Heerenveen van het laatste kwart van de vorige eeuw. Of eigenlijk is wat hier te zien valt al een paar jaar ouder. Deze foto zal omstreeks 1970 zijn gemaakt: het jaar waarin ook de rondleiding door de ‘tuin’ van start zijn gegaan. Het is het ongetwijfeld meest besproken plantsoenexperiment van Heerenveen ooit. En het heeft bovendien een lange voorgeschiedenis gehad.
Eén kilometer lang en 13 meter breed is de middenberm van twee in elkaars verlengde liggende lanen, die van noord naar zuid, zijn aangelegd in 1958/1959 en vervolgens verlengd in 1961/1962. Vanaf het ‘Burgemeester Kuperusplein’ ligt de westelijke helft van de laan in het verlengde van de Van Kleffenslaan. Deze ontvangt bij besluit van 17 november 1957 de naam ‘Europalaan’, tegelijk met - de door een grasstrook gescheiden middenberm en een oostelijk daarvan gelegen rijbaan. Op een aantal punten wordt de middenberm onderbroken door een toegang naar de haaks daarop aangelegde oostelijke straten: Gerritsmastraat, Engelenstraat en Jan Mankeslaan en aan de westkant de Engelmanstraat.
Op elke noordelijke hoek van de drie oostelijke straten is een vier verdiepingen hoog flatgebouw geplaatst. Daarvan zijn er twee op de foto (MWvH., nr. 04210) duidelijk herkenbaar: de dichtstbijzijnde op de hoek van de Engelenstraat en de verste op de hoek van de Jan Mankeslaan.
Tussen het struikgewas en de beplanting door zien wij ook nog net een gedeelte van de bestrate doorbraak van de middenberm naar de Gerritsmastraat. Parallel met de oostelijke weghelft attenderen we op de geschakelde één-gezinswoningen langs de - stille - kant van de Europalaan.
In de jaren 1961/1962 wordt de Europalaan doorgetrokken tot de Rembrandtlaan en op 23 december 1963 krijgt het nieuwe gedeelte de naam: “John F. Kennedylaan”, naar de op 22 november 1963 in Dallas vermoorde geliefde 46 jarige wereldleider. Het vergt dan nog even tijd om de bouwplannen voor het tweede gedeelte afgerond en bewoond te krijgen.
De Raad van Heerenveen uit in 1963 bij monde van wethouder Henk Hofstra de wens om in de open lucht een ruimte te bestemmen om beelden te kunnen exposeren “als een karakteristieke versiering van de plaats” (citaat uit een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 oktober 1968). Aanvankelijk wordt er een speciale commissie benoemd, welke weer wordt opgeheven als in 1965 de ‘Culturele Raad’ wordt ingesteld. De ideeën-stroom voor de invulling van het plan omvat steeds meer aspecten: uitleenvergoeding voor beelden, gevarieërde vegetatie, aanleg van een kruidentuin voor de aanpalende scholen (twee basisscholen en een lagere landbouwschool). Louis le Roy, docent tekenen aan de Rijksscholengemeenschap, adviseert en gaat samenwerken met de geestdriftige leider van de plantsoenendienst B. Hartstra, die het vertrouwen van de raad hebben gekregen.
De werkzaamheden gaan van start en vanaf dat moment is het de meest unieke en controversiële groenvoorziening door haar radicale en experimentele aanpak van de Heerenveense plantsoencultuur, en zelfs de stedebouwkundige de Ranitz uit Rotterdam wordt enthousiast. De reacties van bewoners en de pers lopen uiteen van hartgrondige afkeuring tot lyrisch enthousiasme. Le Roy drukt zich daarover als volgt uit: we maken geen vooropgezet plan, het is een activeringsproject en wij provoceren de omgeving. Het is een experiment, die door de natuur wordt overgenomen. Een ijzersterke quote is wel: “Gras is de vervelendste cultuur die er is”. En “als je in de stad een lapje gras gaat aanleggen, heb je eigenlijk niks gedaan”.
En dan probeert de Culturele Raad zelfs in een - ambtelijk -reglement haar ideeën vast te leggen, waardoor het ‘plan’ enorm heeft ingeboet aan spontaniteit. Wanneer het met de uitvoering toe is aan de realisering van het Europalaan gedeelte wordt er door een inspraakronde alsnog een vertragend en spontaniteitremmend element ingebracht. Het is mede daardoor, dat dat gedeelte van een ander gehalte is geworden dan het Kennedylaan gedeelte. Duidelijk minder muurtjes e.d.
Lid van de Culturele Raad Louis le Roy, kunstenaar en als docent verbonden aan de Rijksscholengemeenschap.
Uit eigen aanschouwing - sinds 1966 wonend aan de ‘stille’ kant van de Kennedylaan - herinner ik me de aanleg van kronkelpaadjes van puin, houtsnippers, stenen muurtjes, kuilen, heuveltjes, trappetjes en een allemachtige verscheidenheid van planten, struikjes, (on)kruid, bodembedekkers, berenklauwen, rietsoorten, graspollen, enz. enz. En de onvermoeibare en altijd goedgehumeurde ‘tuinologen’ Jippe Dijkstra en Hartstra. Buiten de waarneming van de burger zijn er niettemin ook enige communicatieve problemen op te lossen geweest in de sfeer van het ideaal en het haalbare.
De natuur zou na de aanleg zijn gang moeten gaan. Dat doet het ook, zelfs zo, dat het de gemeente te dol wordt en argumenten als hinder voor het verkeer, overlast voor aanwonenden, enge plekken, etc. aangrijpt om weer flink te gaan snoeien. Begin 1997 besluiten Burgemeester en Wethouders om een nieuwe beheersvorm te kiezen, die het midden zal houden tussen de twee denkwijzen. Slechts minimale ingrepen zullen dan nog plaatsvinden.
Samenvattend stellen we een vraag: Waar hebben we hier boven over geschreven ? Beslist niet over datgene wat in de archiefinventaris van de gemeente Heerenveen is terechtgekomen: “Beplantingsplan/beeldenplan Pres. Kennedylaan/Europalaan, 1964-1984”, maar slechts en uitsluitend over ‘De tuinen van Le Roy’ !!!!
Kijkt U in de huidige tijd nog eens goed om U heen als U langs of door het openbaar groen gaat en vraag U af welke stijl de huidige gemeentelijke hoveniers aanhangen. Kaalslag in de ongeremde groei, snoei-operaties van ongekende omvang, maai-machinecultuur op bermen, enz. En ... Louis le Roy schijnt vergeten ...
Wilt U zich nog eens laten informeren over de totstandkoming - inclusief kennis over de rafelrandjes van het plan - dan heeft U met het dossiernummer 93-6 nog slechts de hulp nodig van de gemeentelijke archiefbeambte. Zij legt U dan de betrekkelijke stukken voor inclusief krantenartikelen, fotomateriaal, kaartplattegrond, besluiten, brieven, requesten, verslagen, enz.
2013, april 21 - wibbo westerdijk - hip-backup
Zie ook de website van de Le Roy tuin Heerenveen.
Langs de Veenscheiding 2006
- Details
HIP-Time Magazine 105
Het is zomer 2006. Fotograaf Richard Hoekstra komt van de Badweg tussen Rottum en Oudehaske, slaat bij de brug het fietspad in dat in rechte lijn - van west naar oost - ongeveer twee en een halve kilometer meet en rijdt langs het fietspad met de naam ‘Ketting’ langs deze poldervaart. Het is het verlengde van de verbinding, die via het sluisje de Veenscheiding tussen het plan de Greiden en het plan Nijehaske verbindt met het Nannewijd. Ondanks het dreigende weer en een lekker rugwindje blijkt Richard oog te hebben voor dit bijzondere landschappelijke beeld. Hij stapt van zijn fiets om de camera te richten. Het eindeloze fietspad met de lage waterstand van de linker bermsloot en de hoge waterstand van de Feanskieding, die alle drie hun verdwijnpunt vinden aan de horizon in de voet van een flinke boompartij. Rechts daarvan zien we het immense complex van serviceflat ‘Heerenhage’ van 10 verdiepingen hoog en iets verder naar het zuiden staan daar de massieve ‘Drie Gebroeders’ (Romsicht, Lânsicht en Heechsicht). Voorts zijn bepalend voor het beeld de twee gigantische hoogspanningsmasten in een spannend lijnenspel, die middels een andersoortige diagonaal het beeld verdelen en meteen ook bepalen.
De vaart maakt een onderdeel uit van de Groote Sint Johannesgaster Veenpolder. In 1854 wordt bij Koninklijk Besluit van 19 augustus 1854, nr. 71 het reglement daarvoor goedgekeurd. De bepoldering van de veenpolder begint in 1856 kort na het moment dat een aantal bestekken worden goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Friesland. Een daarvan betreft het bouwen van o.a. een schutsluis in de Veenscheiding en de bouw van de watermolen “De Veenzigt” in de hoek van de Engelenvaart en de Veenscheiding voor de bemaling van de veenpolderboezem. Op 11 maart 1856 wordt door Gedeputeerde Staten goedgekeurd het besluit nr. 5 voor de bouw van de deze schutsluis. In 1858 wordt de droogmaking voltooid en in 1860 wordt poldermolen ‘De Veenzigt’ gebouwd. Deze houdt het vol tot het in 1933 wordt afgebroken en vervangen door een gemaaltje. Dit kunstwerk bemaalt de droogmaking van 225 ha op een peil van 1.40 beneden zomerpeil. Taconis laat ons in 1968 in een L.C. artikel weten “Naar Nannewijd: één van Frieslands mooiste meertjes”, dat ‘It Ketling’ een watertol zou zijn geweest met een in de vaarweg gespannen ketting, die slechts zo nu en dan werd bediend.
De ouderdom van de ‘vaarweg’ van Heerenveen in de richting van het Tjeukemeer vindt zijn begin in een verzoek van de Heerenveense advocaat Johannes Munniks. Namens vele invloedrijke burgers in de Vlekke Heerenveen worden de Staten van Friesland gevraagd om een octrooi te verlenen tot het graven van een vaart tussen Heerenveen en het Tjeukemeer met het recht van tolheffing. Drs. Gerrit Kramer dateert dat verzoek op 26 februari 1767. De resolutie laat nog wel enige tijd op zich wachten, want pas op 17 maart 1769 krijgen Jhr. Jan Poppe Andreae van Canter ‘cum sociis’ dat octrooi. Die ‘cum sociis’ aanduiding geldt een consortium van personen die ‘met het veen’ hun geld verdienen. Dat zijn Arjen Buwalda, Nanne Dirks Drijfhout, Jan Poppe Andreae van Canter, Sybren Stapert, Sjoerd Stapert, Cornelis Witteveen en Frederik Witteveen. Het drietal - Buwalda en de beide Staperts - is ‘besibbet’, in die zin dat Buwalda met zus Janke Stapert is getrouwd, en ze komen alle drie uit De Lemmer.
De heren besluiten de ‘veenscheiding’ tussen Haskerland en Schoterland, welke naar alle waarschijnlijkheid niet eens bevaarbaar was en niet meer dan een slootje of brede greppel, te verbreden en verdiepen en dan langs de grens van de beide grietenijen. Pas veel later krijgt dit watertje de naam “Veenscheiding”. Overigens zal de functie geweest zijn: het ontsluiten van de veenderijen onder Oudehaske en Rottum, en de afvoer van water uit die veengebieden. Met turfpramen moet een geringe diepgang voldoende zijn geweest om zelfs de afvoer van turf naar andere streken mogelijk te maken. We mogen aannemen, dat de eerste bestemming Lemmer zal zijn geweest en door overladen op Zuiderzee bestendige schepen het westen des lands heeft bereikt om tegen goed geld op de markt te zijn gebracht.
Vaststaat dat Richard de dreiging van het weer niet heeft weerstaan, hij zal weer zijn opgestapt na zijn geslaagde oponthoud om zo snel mogelijk over het ‘heechhout’ naar de Vogelzangweg te komen en vervolgens langs het deel wat parallel loopt met de Engelenvaart de Binnenweg te bereiken. Daar linksaf te slaan en via de Rottumerbrug de Rottumerweg te vervolgen naar de kruising met de Burgemeester Falkenaweg.
Misschien heeft hij de omstandigheden goed ingeschat - de bui trekt weg - en kiest hij voor de route langs het sluisje om vervolgens de linkse bocht te maken op het fietspad - ‘Ketting’- langs het Heerenveenster Kanaal te gaan.
Daar stapt hij nog even af en heeft een prachtig gezicht op dat vermaarde sluisje met de woning van de sluiswachter.
Weer opgestapt vervolgt hij zijn weg met de bedoeling bij de Haskerbrug in de Jousterweg te komen om daarna door het plan Nijehaske naar huis te peddelen.
Noot: De afbeelding van het sluisje is afkomstig uit de collectie van de gemeente Heerenveen, waar het is te vinden op het oud-archief onder codenummer A-VI-5-15-foto 2.
Kruiskerk, Breedpad en Heerenwal na 1819
- Details
HIP-TIME MAGAZINE 50
Om onze 50e bijdrage voor HIP-Time Magazine te vieren, trakteren we U op één van de bekendere werken van Heerenveens kunstschilder Durk Piebes Sjollema (1760-1840). Hij combineert in deze olieverf op doek met een formaat van 47.5 x 64 cm (Jaarboek FSM 1997) of 48 x 65 cm (Vereeuwigd) of 49 x 65 cm spieraam (inventariskaart MWvHaren) zijn liefde voor topografische taferelen én zijn passie voor het schilderen van schepen. Het museum Willem van Haren mag zich de trotse eigenaar noemen van dit symbool van haar rijke geschiedenis. Onder inventarisnummer 219 wordt het nautische deel van haar historie geïllustreerd met - van links naar rechts - op het schilderij een beurtscheepje aan de wal van de Fok. Een beurtschip, een smakschip en het dichtst bij het Heerenwalsterbrugje een open jacht liggen afgemeerd aan de naar de Heerensloot aflopende brede oever. Aan het Breedpad zien we de achtersteven van een hektjalk. Dankzij de uitgebreide omschrijving van Sytse ten Hoeve in het Jaarboek 1997 van het Fries Scheepvaartmuseum kunnen we U van deskundig commentaar en goede terminologie voorzien.
Op of bij alle schepen is sprake van menselijke aktiviteit. De beurtschippersknecht aan de Fok is zo te zien doende met het fokzeil, terwijl aan het roer de schipper zit. Het dichterbij liggende beurtschip aan de Heerenwal, de man met de mand of korf en de platte kruiwagen lijken deel uit te maken van een turflossingsritueel. Op de smak zijn zeker twee personen te zien en een derde staat met zijn handen op de rug de bezigheden te bekijken of mogelijk een gesprek te voeren met één van de zich aan boord bevinden personen. Trouwens ook elders op het schilderij is sprake van enige menselijke aanwezigheid. Het pad langs de muur, die het kerkterrein afbakent, wordt bewandeld door een manspersoon met een hond en een echtpaar. Verder lijkt het erop alsof een viertal personen staat te kijken naar een (vissers?)man in een sloep of roeiboot vlakbij het iets verhoogd liggende Heerenwalsterbrugje. Daarover schrijdt een heer richting Breedpad, terwijl tegen de achtergrond van de deur van het ‘Grote Huys’ ook nog het silhouet van een vrouwelijk (?) persoon valt waar te nemen. Zelfs vlak achter roer van de hektjalk lijkt een spelend kind op de kade bezig te zijn.
Op de geschiedenis van de Kruiskerk zullen we deze keer niet ingaan, maar we attenderen U wel weer even op de twee zichtbare metalen stangen, waarvan we bij een vorige gelegenheid de details hebben gegeven. Aan de Heerenwalzijde zien we naast de twee hoog opgaande bomen ook nog een fraai geknotte leilinde dichterbij de brug. Die boom zien we ook later in de tijd van de fotografie nog regelmatig in beeld gebracht.
In de beschrijving in het jubileumboek ‘Vereeuwigd’ wordt het jaartal 1815 genoemd. Daarvan durven we te stellen, dat de bebouwing op het eerste stukje van de Heerenwal daarmee volledig in tegenspraak is. De inventariskaart van het museum geeft ons een plusminus datering: ± 1830. Op deze afbeelding is zelfs zonder loupe overtuigend vast te stellen, dat het derde pand alle kenmerken vertoont van de in 1819 gebouwde sociëteit “De Eensgezindheid”, o.a. vijf ramen op de bovenverdieping. Het gearmde echtpaar is er net voorbij gewandeld. Datering derhalve: ná 1819 !
Het achter de geknotte leilinde staande huis op het Breedpad vangt alle licht van de namiddag, waardoor ook de bijzondere hoge extra schoorsteenpijpenconstructie opvalt. De reden moet zijn gelegen in het verbeteren van de ‘trek’ van de pijpen, die eveneens met schoorlijnen zijn verstevigd. Het relatief kleine pandje voert het huisnummer 268 en is in mei 1819 onderwerp van een woningruil tussen Willem van Doesburgh, controleur bij de accijnsen en directe belastingen, later arrondissementsinspecteur, én Frederik Semler, wijnkoper. Semler komt van huisno. 137 aan de Dracht en van Doesburgh gaat daar met zijn jonge gezin naartoe. Frederik Semler is ongehuwd, heeft in de Franse tijd de functie van maire vervuld en aansluitend daarop die van schout. In 1819 is hij weer gewoon burger en bedient hij het Heerenveense publiek weer vanuit zijn wijnkoperij.
Het huis aan het Breedpad heeft meer bekende bewoners gehuisvest in de 19e eeuw. We noemen u bijvoorbeeld ‘Rieke Simmelaar’ (synoniem voor Frederika Willemina Semler en zuster van Frederik Semler), die enige tijd onderverhuurt aan de bekende Fokke Bienema en de controleur der rijksbelastingen Johan Leonard van Schayk. Erg bekend blijkt de notaris Arjen Binnerts, die er niet alleen lang woont, maar tevens de vader is van de latere advocaat Mr. Halbe Binnerts en de schoonvader van de fabrikant Jacob Woltman. Diens zoon Arjen heeft er ook nog gewoond. Inmiddels zijn er wel enkele verbouwingen aan te pas gekomen.
Van een inhoudelijke beschrijving van het ‘Grote Huys’ achten we ons ontslagen, omdat daaraan in allerlei media meerdere keren aandacht is geschonken. Huisno. 267 wordt in 1819 bewoond door Bartholomeus Cornelis Gerardus van Haeften, directeur der Posterijen. Voor de personele omslag behoort hij tot de 20 hoogstaangeslagen personen van Heerenveen, wat betekent dat hij een behoorlijke welstand kent. Naast ambtelijk aanzien mag hij ook genieten van een grote tuin met 100 fijne vruchtbomen, een wandelbos en een zomerhuis op ruim 80 are en volledig omgracht.
Het huis ten oosten daarvan (nr. 266) wordt in 1819 betrokken door de vader van Bartholomeus, die overigens ook eigenaar is van het ‘Grote Huys’. Oud-raadsheer Jacobus van Haeften, oorspronkelijk uit het Utrechtse en bij de geboorte van zijn zoon B.C.G. in een hoge functie te Antwerpen, is nu al een aantal jaren rechter bij de Rechtbank van eerste aanleg in Heerenveen en vervult daarin een belangrijke rol.
Het volgende huis met nr. 265 is dat van de chirurgijn of genees-en heelmeester Johan Christiaan Mann. Hij is afkomstig uit Amsterdam, en trouwt met Pietje Gosses de Groot. Pietje krijgt op 24 juni 1803 een zoon Johan Christoffel en overlijdt kort daarna. Op 10 juni 1804 (DTB 599) hertrouwt hij met Hiltje Roelofs Offringa. Zij blijven hier in ieder geval wonen tot 1835.
Het daaropvolgende huisnummer 264 wordt in het latere kadaster omschreven als ‘huis en schuur’. Deze staat niet zichtbaar aan het Breedpad, want het is een zuidelijker gelegen pand. De broers Bonne Oepkes van der Schoot (1775) en gehuwd met Aaltje Jans Piebenga, en Eile Oepkes bewonen samen dat huis. Bonne’s beroep wordt beschreven als ‘plaatselijk omroeper’ of ‘plaatselijk tamboer’, terwijl Eile als beroepskwalificatie moet dulden de termen ‘klerk’, ‘kantoorbediende’ en ‘commies-griffier bij de regtbank’. In 1822 trouwt ook Eile en wel met de jongere zuster Baukje Jans Piebenga. Beide broers gaan dan elders wonen.
Wel aan het Breedpad staat huisnr. 263 en daar woont de weduwe Jacob Karsten Pleunenburg, die haar bestaan vindt in het verhuren van woonruimte aan commensalen. Haar man is bekend geworden als ‘veerschipper’ op Leeuwarden. Anthoon Willems Kelder, meester-timmerman, en zijn vrouw, maar ook Johan Conrad Sultemeyer, kramer, maken van haar diensten gebruik, doch als op 15 maart 1819 het 6 weken oude dochtertje van Kelder overlijdt, laat hij zich uitschrijven. De 27 jarige Sultemeyer, geboren te Mettingen in het Graafschap Lingen, Duitsland, trouwt op 26 april 1820 de 21 jaar oudere Janke Klazes, weduwe Pleunenburg. Als bij U de gedachte is opgekomen, dat hij met twijfelachtige bedoelingen die relatie in aangegaan, dan helpen de notariële acten door een zakelijke aanpak van de weduwe u uit de droom. Het blijkt zelfs, dat Janke haar jonge echtgenoot nog enkele jaren heeft overleefd. Hij overlijdt in 1835 en zij in 1861.
Met de zijkant van het gebouw staat - als afsluiting van dit deel van het Breedpad - aan de Molenwijk het huis met met nummer 262. Bote Sibles Spandaw koopt voor fl.3215,- de tapperij “De Drie Kroonen” van Johannes Kalverboer, stoker (distillateur) en tapper. Als graankoopman zal Spandaw zijn oog hebben laten vallen op de advertentie in de Leeuwarder Courant van 26 februari 1818, waarin een winkel, een stalling voor zes koeien en een uitmuntende graan-, mout-, turf-en hooizolder worden aangeprezen. De 5e maart 1818 laat hij het na de finale verkoop beschrijven bij notaris J.P.J. Greydanus.
Is er in 1790 nog sprake van het zogenaamde ‘Witte Brugje’, op een kaartje uit c. 1797 wordt het ‘Notaris J.G. Semlers Bruggie’ genoemd, terwijl de Molenwijk wordt aangeduid als ‘Molenvaart’ en zelfs ‘Schotervaart’. Maar vanaf 1819 sluipt in de Feenster volksmond het begrip ‘Spandaw(s)brug’ het dialect binnen. Negentig jaar later vertrekt de laatste Spandaw uit dit huis, maar hun naam blijft verbonden aan deze brug over de Molenwijk.
Precies voorbij het brugje staat in 1819 eveneens nog een tuitgeveltje. Daar woont Rinse Stoffels Koopmans. In de Personele Omslag van 1816 wordt hij als ‘koopman’ betiteld, maar wordt in andere bronnen ook wel ‘winkelier’ genoemd. Hij woont dan al bijna tien jaar op huisnummer 228. Hij is in 1770 al getrouwd met Hijlkje Pieters, afkomstig uit het Heerenveen, en heeft samen met haar tot 1799 in Oldeboorn een bakkerij geëxploiteerd. Na overdracht van de bakkerij aan een zoon verhuizen ze naar Heerenveen. Wanneer zijn eerste vrouw in 1802 overlijdt, hertrouwt hij met Grietje Roels. In 1819 is hij dus al behoorlijk op leeftijd: 70 jaar.
Uiteraard vraagt u zich af hoe het komt dat aan de oostkant van de brug het laatste huisnummer 228 is, terwijl aan de westkant het eerste nummer 262 is. Wel de systematiek blijkt zo te zijn, dat het bestuur in die tijd aan het Achterom (de oostkant van de Molenwijk dus) daar de tussenliggende huisnummers te hebben toegekend. En omdat er aan de westkant van de Molenwijk nog geen enkele bebouwing is te vinden in het vroege begin van de 19e eeuw, vallen daar ook geen huisnummers te verdelen.
2013, maart 24 - wibbo westerdijk - hip-backup
Koemarkt na 1816
- Details
HIP-TIME MAGAZINE 35
Schilderij van Durk Piebes Sjollema (1760-1840)
Dick Bunskoeke heeft in De Koerier van 24 februari 1988 in zijn rubriek ‘Ut it Feanster Printeboek’ de Heerenveense primeur van het kunnen tonen van deze feestelijke afbeelding. Hij geeft daarmee door, wat het dagblad “Tubantia” eind 1987 in haar krant afdrukte uit een particuliere verzameling. Hij oppert de waarschijnlijkheid van de maker als zijnde Durk Piebes Sjollema (1760-1840) uit Heerenveen. Daarbij dateert hij het schilderij rond 1810. Hij rept niet over de stangen, omdat ze waarschijnlijk op de krantenafbeelding ook niet zichtbaar zijn.
Als in 1993 het boek ‘Vereeuwigd’ verschijnt, schrijft Frédérique van der Palm bij afbeelding 35 op pagina 36 ‘De oude Koemarkt te Heerenveen ca. 1810’ (olieverf op doek, 70 x 90 cm, particuliere collectie). Sytse ten Hoeve is in het Jaarboek 1997 van het Fries Scheepvaart Museum en Oudheidkamer in zijn overzicht van het oevre van “Dirk Piebes Sjollema (1760-1840). Fries schepenschilder’ bij dezelfde afbeelding op bladzijde 37 ‘Veemarkt te Heerenveen’ (olieverf op doek; 70 x 90 cm; ongesigneerd en ongedateerd; collectie particulier Almelo) specifieker. In de toelichting bij het doek vult hij aan met “Voorstelling van de Oude Koemarkt te Heerenveen. Op de voorgrond de veemarkt: een groot aantal koeien en mensen. Links op de voorgrond een vrouw aan een tafel. In het midden een koopvrouw en een man met een houten been. Centraal op de achtergrond de Schoterlandse Kruiskerk in de gedaante die het gebouw tot 1859 had. De bij de toren aangebrachte stangen moeten geplaatst zijn in 1816, zodat het schilderij van na dit jaar dateert. Links en rechts van de kerk een aantal huizen. Achter de kerk de Heerenwal met de woning van D.P. Sjollema.” Ten Hoeve verwijst voor literatuur naar Frédérique Bruyel-van der Palm, Vereeuwigd., p. 35.
De teksten van alledrie geciteerden geven aanleiding tot nadere beschouwing. Van der Palm dateert de afbeelding op ca. 1810, naar het voorbeeld van Bunskoeke, maar geeft daarvoor evenmin argumenten. Ten Hoeve geeft in de opsomming van kenmerken de term ‘ongedateerd’, doch in de toelichting op de afbeelding het jaartal 1816, waarop de stangen moeten zijn geplaatst. Op een ander schilderij van Durk Piebes Sjollema - Gezicht op de Heerenwal en de Kruiskerk - van ca. 1815 zien we eveneens dat het torentje wordt gestut door meerdere stangen, bevestigd aan het kerkedak. Bezien we die afbeelding iets nauwkeuriger en dan met name het kleine stukje bewoning van de Heerenwal, dan valt op dat de ‘Sociëteit De Eensgezindheid’ is afgebeeld. Dat betekent dat de datering moet worden bijgesteld, omdat de sociëteit is gebouwd in 1819. Conclusie: ná 1819.
Het jaartal 1816 blijkt inderdaad een cruciaal jaar voor de toren te zijn geweest. De bouwvalligheid van het torentje is op dat ogenblik zo groot, dat de kerkvoogden besluiten tot het bouwen van een nieuwe toren. De resultaten van de uitvoering vinden we terug in ‘Jaarrekeningen van de Kerkvoogdij 1795-1816’ (inv. nr. 2609). Op 31 december 1816 worden gemeld de rekeningen van Beerend Jacobs Niks (arbeidsloon aan de toren), Jan Wiltjes Nauta (arbeidsloon aan de toren), W.S. Gorter (verkoop van oud hout van de toren en van registratie) en de weduwe van P. Greijdanus (voor geleverde jenever tot de toren over de periode 19 september tot 28 december). Als totaal van de uitgaven voor de toren staat er een bedrag van 169 gulden 19 stuivers en 12 penningen. Ook in de jaren erna worden er nog rekeningen betaald voor de bouw en de afwerking. De daarbij het meest in het oog springende is..... “op 1 september 1817 aan O.M. Wagenaar betaald weegens geleeverd ijzerwerk aan de toorn volgens kwitantie no. 15 ... fl.118,86.” (Wagenaar is sterk betrokken bij het wel en wee van de kerk: hij woont er practisch tegenover op nr. 30; hij doet de boekhouding van de kerkvoogdij en hij levert het ijzerwerk voor de toren.) Op grond van deze gegevens mogen we dus wel vaststellen, dat ‘zelfs’ bij de nieuwbouw van de toren in 1816 er in ieder geval stangen zijn geplaatst. Als de toren ook voordien al is ondersteund, kan dat betekenen, dat de datering c. 1815 en zelfs c. 1810 een juiste kan zijn.
Wat wel uit de correspondentie met de grietenij Schoterland duidelijk is geworden, dat er over het onderhoud van de toren jarenlang gesteggel is geweest over de rechten en plichten van de kerkvoogdij en de grietenij (dorpsadministratie). In een stuk uit 1835 blijkt dat de kerkvoogdij tot dan toe het onderhoud van toren, zonnewijzer en uurwerk uit hun middelen hebben betaald. Als reden wordt opgegeven, dat zij niet voldoende op de hoogte zijn geweest van de wettelijke bepalingen maar wel meerdere keren hun twijfel hebben uitgesproken over de rechtmatigheid. Zelfs in 1816 is daarover geamendeerd. Kerkvoogd Gerrit Gooitzens Attema is erbij geweest in 1816. Alle dorpstorens in de grietenij worden immers onderhouden door de gemeente. Heerenveen zal daarop geen uitzondering mogen maken. Kerkvoogden hebben geen wettelijke bepalingen kunnen vinden, maar gaan uit van de bepalingen op de administratie der kerkelijke en plaatselijke fondsen. De grietman stuurt in 1835 aan op een interventie door de gouverneur van Friesland.
Uiteindelijk blijkt bij resolutie van de Grietenijraad van 9 sept. 1839, no. 52/154 de grietenij bereid tot overname van alles wat bovendaks aan toren en uurwerk is. Zij achten het alleszins billijk, dat de toren en het uurwerk ten algemenen nutte en gebruike voor de plaats dienstbaar zijn. De kerkvoogden blijven vinden dat de dwarsbalken tot de toren behoren. Hun eis tot restitutie van voorschotten wordt door de grietenij van de hand gewezen. Wel geeft de grietenij nog 500 gulden om het benedendakse te verbeteren.
Daarmee blijkt het vertrouwen tussen kerkvoogdij en grietenij niet hersteld, noch minder als de grietenijraad kennis krijgt van het adres van de kerkvoogden aan de Gedeputeerde Staten over de bezwaren van de overname door de grietenij. De raad is zwaar gepikeerd en trekt alle aanbiedingen in. Zelfs de timmerman die net was begonnen met het herstel van de toren, krijgt de opdracht zijn werk onmiddellijk te stoppen. Hoe de kerkvoogden de machtiging door Gedeputeerde Staten hebben ervaren - om de overeenkomst aan te gaan met het grietenijbestuur op de door dat bestuur gemelde voorwaarden - wordt verder duidelijk door het volgende.
In 1840 maakte het grietenijbestuur van Schoterland in de persoon van grietman mr. Hans Willem de Blocq van Scheltinga en secretaris mr. Anne van der Laan een overeenkomst op met de kerkvoogden Anne Braaksma, Halbe de Vrieze en Lambertus Feits. Laatstgenoemden waren daartoe gemachtigd bij resolutie van Gedeputeerde Staten van Friesland van 27 februari 1840. De kerkvoogden dragen over aan de dorpsadministratie van Heerenveen de toren, voorzover deze boven het dak van het kerkgebouw uitrijst, met inbegrip van het daaronder geplaatste uurwerk. Zij ontvangen daarvoor een bedrag van 500 gulden van het grietenijbestuur. De rest blijft eigendom van de kerkvoogden. Op de tekeningen van de kerk zijn met de kleuren rood en geel de eigendomssituaties precies aangegeven. Omdat de kerkvoogden enorme kosten hebben gehad aan reparaties en herstellingen wordt uit de dorpskas 500 gulden besteed, die reeds tegen kwitantie door hen zijn ontvangen. Het initiatief tot reparaties zal bij de kerkvoogden blijven. Helaas blijkt de overeenkomst niet getekend en komen er in latere jaren moeilijkheden over bij de verbouw van kerk en toren. Het Schoterlandse bestuur onttrekt zich aan deze niet getekende overeenkomst. Daarbij moet worden vermeld, dat in 1851 de grietenijen worden vervangen door de gemeenten met alle gevolgen van dien. Genoeg nu over de gedurige kwesties tussen de verschillende invloedrijke colleges.
De twee achterelkaarstaande en verbonden panden staan op een historische zeer interessante plaats. Op een plattegrondtekening uit het Dekema-archief (nr. 1754) met de uitnodigende titel “Caerte van de Caercke op ‘t Heeren Veen op de Camp after de school”, uit het jaar 1634 is dit de locatie van -‘t gemene huis - op een perceel van 8.1.2 diepte en 2.2.- breedte. Uitgaande van de koningsroede van 3.9127 meter, verdeeld in 12 voeten en de voet in 12 duimen als lengtemaat, levert dat een diepte op van 31.6547 meter en voor de breedte 8.5774 meter. Berekenen we daaruit de totale oppervlakte - aannemende dat er sindsdien niets zou zijn veranderd - dan komen we op circa 271,5150 m2 = 2 are 71 ca. De latere kadastrale grootte werd in 1832 gewaardeerd op 1 are 80 ca. Bij de plaatsgehad hebbende veranderingen dienen we dan te bedenken, dat in ieder geval de halve straat niet meer tot het eigendom behoorde en evenmin de helft van de vroegere kerkhofshaven, hetgeen eerder wel het geval was. Overigens stelt drs. D.M. Bunskoeke, dat de maten ook wel eens zouden kunnen zijn aangegeven in de Utrechtse roede van 3.76 meter. Als dat het geval is geweest, komen we uiteraard tot kleinere getallen: ruim 2 are 60 ca.
In zijn aflevering van 15 juli 1987, gebaseerd op fotonr. 3468 uit het foto-archief van het museum Willem van Haren, schrijft Dick Bunskoeke o.a.: "In 1636 spreekt men van "het Hooghuijs" alwaar toen een bord met Benthem uithing, wat zoveel wil zeggen dat daar toen een herberg van die naam was, op dezelfde hoek. In 1689 bleek die herberg afgebroken.
Veel later vanaf 1766 - volgens de speciekohieren - is de bewoner van het pand Jelle Pieters, afkomstig uit Leeuwarden, die in 1796 in kerkelijke stukken voor het eerst voorkomt met de familienaam Regnery. Hij wordt daarin opgevoerd als koopman, die een financiële verantwoordelijkheid draagt als administrerend kerkvoogd. Bovendien wordt hem ook een positie toebedeeld binnen de Municipaliteit van Aengwirden.
In maanden oktober tot en met december 1811 geeft de Leeuwarder Courant ons enig inzicht in de afloop van dit bezit van Jelle Pieters Regnery als H.L. van Eekma, “praktizijn bij de Regtbank ter eerste instantie in het Arrondissement Heerenveen” op de rol van de “Geregtelyke uitwinningen by des Arrondissements vierschaar” ten verkoop houdt de Huizinge met no. 6 op ‘t Heerenveen. Hendrik Ekkes, eveneens koopman, heeft redenen Regnery op deze manier te treffen. U moet dan denken aan te hoog opgelopen schulden. De kopers moeten zijn geworden Klaas Adams Korf en zijn vrouw, die het op 13 april 1812 doorverkopen aan Jacob de Looze, meester horologiemaker. De acte geeft een beschrijving, welke op deze prent voor een deel goed herkenbaar is: “een ruim voorhuis, zijdkamertje aan de Straat, waarin een bedsteed en kast; een kelderskamer met twee bedsteden en kasje; een kelder en keuken of doorlopende gang, met een bedsteed; een winkel hebbende eenen vrijen uitgang op de straat ten noorden; een bovenzolder, lopende van voren tot achteren over gedachte huizinge voorzien van een bedsteed, en op de plaats een stookhok; verders met put en regenwatersbak en uitlopend secreet”.
De Looze wordt in 1814 niet alleen horlogemaker en koopman genoemd, maar tevens ‘tapper’. Met hem heeft Heerenveen een kleurrijke figuur binnen haar grenzen gehad, die zijn sporen een halve eeuw in het zakelijke leven van de herbergen, logementen, tapperijen, e.d. heeft getrokken. Hij is regelmatig cliënt van het notariaat, maar soms ook van het gerecht. Zijn leven moet nimmer saai zijn geweest, zelfs als het hem fysiek minder voor de wind gaat, zorgt hij voor reuring ‘waarover bijna een boek valt te schrijven’. Niettemin is er ten aanzien van bovengenoemde ‘tapperij’ een eigendomsovergang vastgesteld in 1822. Klaas Luiten Krikke is door koop eigenaar geworden.
Rechts op de hoek staat het huis - Aengwirden nr. 31 - van Jelle Petrus Jacobus Greydanus, die in januari 1815 volledig eigenaar is geworden door de helft van het huis van zijn broer Harmen uit Wolvega over te nemen. Collega-notaris W.B. Kool van Heerens maakt de acte daarvan op. J.P.J. blijkt op 10 maart 1811 in een ingekomen stuk genoemd te worden als ‘keizerlijk notaris’. Hij is dan 25 jaar en 4 maanden oud. Dit is ook het huis, waar vader Petrus Greijdanus op 25 december 1814 overlijdt en de weduwe de jenever verschaft aan de werkers van de toren. Dochter Grietje Geertruida (1812) trouwt in 1832 met Giel Conelis de Vrieze, die later in ditzelfde pand zijn apothekerschap vorm zal geven. Oudere Heerenveners hebben aan het pand plezierige associaties met het assortiment van bazar “De Stad Parijs” of aan het Chinees-Indisch restaurant “Hong Kong” van Tak K. Chan (1972-1979).
We maken nog even een uitstapje naar de huizen op de achtergrond. Inderdaad, deze staan op de eerste Heerenwal en zelfs daarvan kunnen we aangeven wie er destijds wonen. In een Lijst van Gebouwen van Haskerland uit 1816 is het een huis, waarin twee gezinnen zijn gehuisvest. Als bewoners staan dan vermeld: Hendrik J. Boetje en Jacob J. Kokjen. In het repertorium van familienamen van 1812 staat Hendrik Jochums Boetje ingeschreven met een gezin van 3 personen. Voor Jacob Gerbrants Kokjen is een gezin van 5 personen genoteerd. Een meer aansprekende naam vinden we in een transportakte van 18 februari 1817. De koopman Sijbe Tuijmelaar wordt dan door koop eigenaar van het huis Heerenwal nr. 1. Een schitterend gegeven is dat het huis nr. 2 wordt bewoond door de schilder van dit tafereel Durk Piebes Sjollema. Het feit dat hij zijn achternaam op 29 januari 1811 in het Registre Civique van Nijehaske heeft laten vastleggen en op 2 en 7 maart in Nijehaske heeft laten registreren, betekent dat hij zich bewust moet zijn geweest van deze bijzondere afbeelding.
Maar ... er zijn nog veel vragen te stellen over deze boeiende afbeelding. Wie is die heer als ruiter te paard en wie de heer in de open calèche verderop in de straat ? Bent u ook zo nieuwsgierig naar de man met de krukken en het houten been ? Is het de marktmeester of is het de dorpsomroeper ? Verkoopt die mevrouw met het tafeltje links vooraan koek uit de mand onder haar tafel ? Hoe zit dat met het doorgaande verkeer langs de straat langs de kerk ?
Gelukkig mogen we heerlijk speculeren !!! Voor de datering zijn we langzamerhand overtuigd van een datum na 1816 !!! En het tijdstip van deze marktdag ligt duidelijk in de ochtend !!!
2012, december 2 - wibbo westerdijk - hip-backup
Interieur Crackstate-Gevangenis
- Details
HIP-TIME MAGAZINE 88
Inderdaad; deze foto heeft U meer gezien. In alle boeken, krantenartikelen en publicaties over de gebeurtenissen in Heerenveen in de Tweede Wereldoorlog vindt U een beschrijving van foto-object 01823 uit het Museum Willem van Haren. Het is één van de zeldzame interieurfoto’s van de centrale ruimte van de gevangenis achter Crackstate.
R.Boltendal heeft in zijn boek over de geschiedenis van Heerenveen “De Heeren en de anderen” op bladzijde 217
als bijschrift de volgende tekst geplaatst: “De cellenafdeling van het Huis van Bewaring achter Crackstate. Het gebouw is later afgebroken om ruimte te krijgen voor de uitbreiding van het gemeentehuis”. In een uitgave ter gelegenheid van de onthulling van het gedenkteken ter herinnering aan de slachtoffers van de voormalige gevangenis achter Crackstate onder redactie van drs. A.T Geerdink, directeur van het Museum Willem van Haren in april 1995 staat op bladzijde 8 bij de paginagrote afbeelding: “Het interieur van het hoofdgebouw van de Crackstate-gevangenis”. De titel van de publicatie “Oord van verschrikking. De gevangenis achter Crackstate 1944/1945” vertelt van de gruwelijke en onmenselijk behandeling door de duitse bezetters.
Als de Staat der Nederlanden op 7 november 1832 een schriftelijke volmacht verleent aan de heer Staatsraad, gouverneur van Friesland, J.A. Baron van Zuijlen van Nijevelt, en dat notarieel laat vastleggen door Heerenveens notaris Gauke Peeting, is het doel de koop en overdracht van een ‘groot heerenhuis met aanhorigheden “Crackstate” genaamd’. Het ministerie van Binnenlandse Zaken wil in het pand een ‘Paleis van Justitie (voor de Rechtbank van eerste aanleg en het Vredegerecht) vestigen met daaraan verbonden een ‘Huis van Arrest’ en een ‘Huis van Bewaring’ voor 30 gevangenen. Voor de laatste twee functies is het nodig dat het gebouw een aan-en verbouw ondergaat, waarvoor een aanbesteding wordt gehouden op 18 januari 1833 aan het lokaal van het Gouvernement te Leeuwarden. Heerenveens timmerman Anne Meints Dijkstra weet de opdracht in de wacht te slepen voor fl.11.000,-. De verbouw van “Crackstate” betreft onder meer op de bovenverdieping een ‘kamer voor correctioneel veroordeelde mannen en jongens’ (voor 4 personen), idem voor vrouwen en meisjes (4 personen), twee ziekenkamers en een kamer voor veroordeelden lichte graad. In de nieuwe aan-of uitbouw van de benedenverdieping zijn er vier vertrekken voor gevangenen (in de terminologie van toen: ‘passerende mannen’, ‘passerende vrouwen’ en zware gedetineerden van beiderlei kunne). Verder is er een wandelplaats (of luchtplaats) gecreëerd van 13 bij 13 meter met een ringmuur.Voor de cipier-concierge (en zijn assistenten) zijn in de noordoostelijke benedenkamer woon-, keuken-en wasfaciliteiten beschikbaar. Tot 1888 blijkt deze indeling - met uiteraard kleine verbeteringen in de loop van bijna 60 jaar - houdbaar. In een uitgaande brief van het College van Regenten van het Huis van Bewaring te Heerenveen
d.d. 23 oktober 1886 wordt evenwel een klacht over de gebrekkige en ondoelmatige inrichting geuit. Er zijn 7 cellen, zodat soms zelfs zieke en gewone gevangenen in dezelfde cel zitten, omdat er geen ziekencel is. Voor de behandeling van zieken en speciaal besmettelijke zieken maakt de Heerenveense arts Dr. Hessel zich bijzonder sterk door o.a. aan de Minister een brief daarover te schrijven. De grote verandering wordt ingezet bij de Staatsbegroting voor 1889 als de krant De Tijd van 29 juli 1888 laat weten, dat in het Hoofdstuk IV (Justitie) wordt uitgetrokken: “... fl.17.000 als eerste termijn van een som van fl.60.000 voor de stichting van een nieuw huis van bewaring te Heerenveen en verbouwing van de tegenwoordige gevangenis tot localiteiten voor rechtbank en kantongerecht, ....” Enkele maanden later bericht Het Nieuws van de Dag op 31 oktober 1889, dat op de bouw het laagst is ingeschreven door de firma J.B. Welmers te Gelselaar en J. Polman te Delden voor fl.43.737,-. De heren uit Gelderland zoeken voor de glas-, verf-en behangwerken nog een onderaannemer via een aanbesteding in het Logement van J.P. Fonk te Heerenveen op woensdag 15 januari 1890. Nadat de herbouw van het Huis en de inrichting daarvan zijn voltooid besluiten de regenten in hun avondvergadering van 2 april 1891, waarbij ze de procedure afronden met een visuele inspectie, de bevolking uit het oude ‘gesticht’ op de 4e april over te brengen. Met trots wordt gemeld, dat het nieuwe gebouw is voorzien van gasverlichting.
De trots op de aanwezigheid van een rechtbank in het Heerenveen en dan met name in Crackstate slaat om in verontrusting en teleurstelling als de Leeuwarder Courant op 20 februari 1923 melding maakt van een ingediend wetsontwerp, die de opheffing beoogt van de rechtbanken in Zierikzee en Heerenveen ! Bezuiniging is het motief voor deze reorganisatie. Terwijl een onderzoekscommissie nog bezig is, worden er al maatregelen genomen om het arrondissement Heerenveen op te delen onder Leeuwarden en Zwolle. Zodra de ernst van deze maatregel doordringt bij de bevolking worden er acties begonnen en protestvergaderingen belegd door zeer veel verschillende instellingen en organisaties. Het brede draagvlak leidt tot het indienen van een adres bij de Eerste en Tweede Kamer. Zelfs de gedeputeerden van de Friese Staten achten de optie van de bezuinigingen zeer problematisch. Zeer veel burgemeesters van de zuidelijke gemeenten in Friesland sluiten zich aan bij het protest. Het blijkt allemaal vergeefs, want op 22 juni 1923 wordt het Koninklijke besluit afgekondigd in ‘Staatsblad’ no 315, waarbij als datum van de in werking treding van de wet is gesteld op 1 september 1923. Het daadwerkelijk verhuizen van de ‘dossiers’, ‘portefeuilles’ en ‘folianten’ uit het Paleis van Justitie op de 30e en 31e augustus naar Zwolle en Leeuwarden is voor de Leeuwarder Courant reden om zelfs daar een bericht op te nemen in de krant. Uiteraard heeft dit ook enorme gevolgen voor de functie van het ‘Huis van Bewaring. Het gebouw komt ‘leeg’ te staan.
Laat nou uitgerekend ‘DeTelegraaf van 24 Januari 1928’ als enige Nederlandse krant in een rubriek “Leger en Vloot” een voor Heerenveen bijzonder hoopgevend bericht plaatsen. De Divisiecommandant van het wapen der Marechaussee te Groningen, de districtscommandant van dat wapen te Leeuwarden, een hoofdofficier en Fortificatieopzichter van het wapen der Genie te Utrecht hebben hun oog laten vallen op het ‘vroegere’ Huis van Bewaring te Heerenveen. Zij hebben enkele dagen geleden gekeken of het gebouw geschikt is om in te richten tot kazerne van de Heerenveense brigade van de bereden marechaussee.
Ambtelijke en in het bijzonder ‘rijks’-molens draaien in die tijd verbazend langzaam, want pas op 28 maart 1930 geeft het Nieuwsblad van Friesland het bericht, dat het Rijk per 12 mei de huur van de kazerne aan de Fok niet verlengd. Voor de commandant is een bovenwoning gehuurd op de Heerenwal en de manschappen en hun paarden worden ondergebracht bij een herbergier in de Schans. In een later bericht blijkt de wachtmeester te wonen in een gedeelte van een huis aan de Fok.
Notaris J.W. Schippers brengt - in opdracht van de Gebr. Aberson, architecten te Steenwijk, die niet alleen de bouwers maar ook de particuliere eigenaren van de kazerne aan de Fok zijn - het complex ter veiling. Op 8 april 1930 komt de kazerne, met paardenstal, erf en grond, samen 10.80 are groot, bij café “Paul Kruger” ter beschikking. Hoogste bieder is J. Bosma, architectenbureau te Drachten én Heerenveen, met een bod van fl.10.002,- in opdracht van een niet genoemde lastgever. De gunning wordt zeven dagen aangehouden en uiteindelijk niet toegewezen. De Aberson’s hebben hun plannen gewijzigd: de woning wordt verhuurd en de stallen komen via onderhandse koop in het bezit van de Gebrs. van der Meulen, die grossiers worden genoemd. De ‘fabriek’ die de Gebrs. van der Meulen er vestigen blijkt een ‘vetsmelterij’ te zijn.
Het jaar 1931 wordt een verwarrend jaar voor de degenen, die benieuwd zijn wat er met het Huis van Bewaring gaat gebeuren. Voor degenen, die betrokken zijn bij het gebeuren en regelmatig kennis nemen van de gemeentelijke ‘afkondigingsvitrine’, zien in januari 1931 het besluit van de 13e hangen. Daarin wordt onder nr. 1073 vergunning verleent aan de Staat der Nederlanden op het kadastrale perceel A-5751 tot het verbouwen van het Huis van Bewaring tot marechausseekazerne. Lezers van het landelijke kranten Algemeen Handelsblad, De Telegraaf en Het Vaderland worden daarover op de 17 januari bijgepraat. De leukste formulering valt te lezen in het laatstgenoemde blad onder het humoristische kopje: “De marechaussee zelf in de gevangenis.” Regionaal geeft de Leeuwarder Courant zelfs een tamelijk uitgebreid overzicht van het gepasseerde in een bericht van de 16e januari en noemt ook - naast de gevangenis in het centrum - de bekeken optie van de decentraal gelegen Rijkskweekschool aan de Thialfweg. Uiterst merkwaardig is dat het Nieuwsblad van Friesland over dit plan met geen woord rept.
Gelukkig krijgt de Hepkema de kans zich te revancheren op 17 augustus 1931 met het bericht, dat er besprekingen gaande zijn over de verkoop van een bouwterrein aan de Verlengde Dracht voor de bouw van een ‘nieuwe’ marechausseekazerne. Eén dag later voegt De Telegraaf daaraan toe, dat het aan de westzijde van de Rijksstraatweg is en dat er aan de verbouw van de voormalige strafgevangenis teveel bezwaren zijn verbonden. Op de 21 november is het opnieuw de Hepkemakrant, die een principiële overeenstemming meldt tussen het gemeentebestuur van Schoterland en de betrokken minister. Op de hoek van Verlengde Dracht met de Oude Molenweg laat Schoterland een kazernement bouwen en her rijk gaat dat huren voor fl.3100,- per jaar. Moeilijkheden met het lenen van geld zorgt voor opnieuw uitstel, maar als de Bank voor Nederlandse Gemeenten bereid wordt gevonden fl.46.000,- te financieren stelt B. en W. de raad voor hen te machtigen. Op 25 november wordt na debat én stemming met 14 stemmen vóór en 3 tégen het voorstel aangenomen. Rest nog te vermelden, dat de aanbesteding voor de bouw van de kazerne op maandag 20 maart 1933 in Oenemastate op het Gemeenteplein plaats vindt.
Terug nu naar ons ‘voormalige’ Huis van Bewaring’, die vanaf 1923 niet is gebruikt en bovendien in 1931 niet is verbouwd tot kazerne. Dat geeft vanaf nu ruimte voor ander gebruik en andere doeleinden. Daarover worden we pas geïnformeerd in een Hepkemabericht van 4 januari 1936. De directeurswoning (het voorste, lage gedeelte)wordt nog wel bewoond en een van de grotere gevangenisvertrekken wordt inmiddels gebruikt voor repetities van een muziekcorps en een mandolineclub. Het noordelijke, achterste gedeelte wordt gebruikt als stoffeerderij van de firma Wierda en Van der Werf en een andere gedeelte als opslagruimte voor de firma Sybren Potma van de ‘Stad Parijs’. De J.V.O. (Jeugdbond voor Onthouding) - drankbestrijding - houdt hier haar vergaderingen en een andere ruimte is ingericht als lokaal voor sljödlessen van de heer Wierda. Verder wordt er door de Zweefclub Heerenveen, een onderafdeling van de Eerste Friesche Luchtvaartvereeniging een zweefvliegtuig gebouwd. Zelfs boekbinderij en papierhandel Sijtsema vestigt zich per mei 1936 op dit adres Oude Koemarkt 18.
De oorlogsdreiging in 1939 zorgt ervoor, dat de luchtbeschermingsorganisatie haar oog eveneens laat vallen op de gevangenis. Het is zeer geschikt als schuilplaats door haar degelijke bouw en er worden uiteraard een aantal voorzieningen gedaan om er een veilige bergplaats te creëren voor zowel personen als archiefmateriaal.
De afsluitende regels willen we deze keer wijden aan het ‘lezen’ van de opvallende bouwkenmerken. We doen dat met de hulp van fotograaf Piet Wiersma, die het museumarchief heeft verrijkt met fotonr. 01371 genomen vanuit de K.R. Poststraat met als flankerende panden de Schouwburg en het gemeentehuis ‘Crackstate’.
Het beeld met het ramenpatroon in het bovendeel van de achtergevel - twee rijen van drie ramen vlak naast en bovenelkaar - wijst ons de weg tot de juiste interpretatie: de interieurfoto is gemaakt van zuid naar noord ! Verder ziet U aan weerszijden van het rompgebouw van de gevangenis een uitbouw. De rechter wordt in die jaren gebruikt ten dienste van de gemeentereiniging en de linkse door de Heerenveense Brandweer. Op de linkse foto ziet U een wagen van de gemeentereiniging.
2014, aug.3 - wibbo westerdijk - hip-backup
Hotel Smid 1939-1972 Hip-time 112
- Details
HIP-TIME MAGAZINE112
Een enkele keer krijg je het idee voor een verhaaltje voor de HIP-Time Magazine in de schoot geworpen. Zo komt een paar maanden geleden werkgroeplid Alie van Dijk plotseling met een envelopje, waarin een dertigtal kiekjes blijken te zitten. Op een aantal daarvan staan wat gegevens en Alie geeft aan, dat het afkomstig is van een goede bekende van haar. Wat de foto’s blijken gezamenlijk te hebben, is hun relatie met de familie Jan Smid (geb.te Weststellingwerf), exploitant van “Hotel Sportpark” aan de Schans 11a. Ik mag ze scannen voorzover ze van waarde zijn voor onze historische achtergronden. Daarna krijgt Alie ze terug om ze terug te bezorgen, maar wel met de vraag of zij nog informatie los kan peuteren over sommige beelden.
Het eerste beeld is uit het jaar 1970 in een bladerloze setting. Het zal aan het einde van de winter zijn. We kennen allemaal de kade van de tweede Heerenwal met een opslag van tonnen (van oliehandelaar Beuving) en een witte particuliere auto met daarachter het brugwachtershok en de brugwachterswoning aan het begin van de Dubbele Regel. Tussen de brugwachterswoning en het huis van de vroegere bewoner Vriesema zien de Verlengde Heerensloot en de bebouwing tussen de Heerensloot en de Leeuwarder Straatweg. Tegen de uitermate grijze lucht zien we de masten voor de hoogspanningskabels, die komen van het grondstation van de electriciteitscentrale aan de Schans (de vroegere grintweg). Het meest prominent is niettemin het markante hotel en zelfs - op deze allerminst heldere foto - met de reclamezuil van Caltex.
De gebeurtenis van de plaatsing blijkt in de Friese Koerier van 13 november 1958 te leiden tot de krantenkop: “In de Schans kwam nieuw benzine-pompstation”. Weliswaar wordt het nieuwe . benzine-station van Caltex naast café Smid zonder vertoon in gebruik genomen en er wordt nog even gemeld, dat een plan om er een servicestation te stichten geen genade heeft kunnen vinden van de kant van de gemeente. Wel wordt er op gewezen, dat het pompstation gunstig is gelegen. Het bestaat ondergronds uit drie tanken; één voor benzine, één voor super-benzine en een andere voor dieselolie. Bovendien is er ruimte gereserveerd voor een pomp voor gemengde smering. Verder hoort er een bescheiden kantoortje en een bergplaats voor smeerolie bij. De blikvanger voor het verkeer wordt gevormd door een grote Caltex-lichtzuil en de bediening zal worden toevertrouwd aan vrouwelijk personeel.(foto 2)
De gelukkige eerste klant is Klaas Mulder, eigenaar van een Volkswagen-kever met kenteken ZT-31-34, wordt bediend door Marie Veldhuizen ( dienstbode)
Een kiekje uit 1974 (foto 3) levert de gegevens voor een nieuwe leverancier. Althans zo lijkt het, maar het blijkt iets te kunnen worden genuanceerd. Sinds 1934 hebben de Chevron en de Texaco - beide oliemaatschappijen - samen een dochterbedrijf met de naam Caltex, welke de raffinage en de verkoop buiten de Verenigde Staten coördineerde. (Met dank aan Wikipedia Die pomp voor gemengde smering voor de bromfiets wordt in juli 1974 vernield en leeg gestolen, maar snel weer gerepareerd, waar de rechtse foto van getuigt. Over de daders hebben we in de kranten niets kunnen vinden.
Bij het raadplegen van de adresboeken en de woningkaart worden we gewaar, dat het adres van het café in 1922 voor het ‘café, stalhouderij en verhuizingen’ van Hessel Hielkema het huisnummer Schans 29 wordt gehanteerd. Het adresboek van 1934 reserveert voor J. Hielkema en H. Hielkema het adres Grintweg no. 1. De ‘Heerenveen-één’ operatie heeft voor de nieuwe exploitant Jacob IJpeij, die per 12 mei 1934 de exploitatie van het café heeft overgenomen, meteen ook een nieuw huisnummerbordje beschikbaar. Per juli wordt het adres Grintweg 3 onder het dorp Terband. Immers de gemeentegrens wordt verlegd verder naar het westen en zo gaat garage Vriesema behoren tot het dorp Terband. Deze krijgt nu het huisnummer Grintweg 1.
Omdat Jacob IJpeij zijn contract op 22 februari 1939 beëindigd - hij vertrekt per die datum uit het café - krijgt Jan Smid, komend uit Wolvega, de kans het kasteleinschap over te nemen. Het kadaster registreert een verkoop ten faveure van Jan Smid in het dienstjaar 1940. We mogen op grond van de woningkaart van het adres Schans 11a aannemen, dat Smid tot 3 januari 1972 het bewind heeft gevoerd over hotel “Sportpark”. Daarna vestigt hij zich op Schans 13, welk pand in 1970 is verbouwd naar een plan van architect Tj. Hoogeveen.
Bij de ter inzage ontvangen foto’s zijn er een aantal interessante deelverzamelingen, die de moeite waard zijn om even onder de loupe te leggen. Allereerst is daar de gebeurtenis, waar dochter Marrij Smid een hoofdrol speelt (foto 4). Zij is het meisje met de-schaar-op-het-kussen, dat ter gelegenheid van de heropening van de nieuwe Terbandsterbrug op 24 september 1948 de Commissaris der Koningin de schaar mag presenteren om het lint door te knippen. Zij is zich duidelijk zeer bewust van die vererende opdracht en bepaald camerageniek te noemen. Want gelooft U ons, dat het niet meevalt om tijdens de redevoering van de pommeranten geconcentreerd te blijven.
Dan is er ook de geheel verbouwde nieuwe eetzaal.(foto 5) Een bouwvergunning van eind 1963 spreekt van vernieuwing en uitbreiding van de keuken en de restauratieafdeling van het hotel-café-restaurant. Constructiebedrijf IJbema te Tijnje en architect Tj. Hoogeveen pakken de zaak aan en de westelijke zijgevel van de aanbouw wordt daardoor gewijzigd. W kunnen U geen oordeel geven over de kwaliteit van de inrichting van de betreffende ruimte.
Naast de gebruikers van de eetzaal heeft Hotel-Café Smid ook zijn vaste klantenkring voor de gelagkamer, waar de biljartclub (foto 6) regelmatig met veel plezier haar bijeenkomsten organiseert. Dit ongebruikelijke beeld met enkele bekers op het groene laken is duidelijk geënsceneerd. Namen, voorzover Jan Willem Smid zich herinnert, zijn van rechts naar links: Jan Smid, dan een kappersbediende,(naam weet Jan niet meer, wel dat hij naar Amsterdam is verhuisd en daar trambestuurder is geworden), daarnaast 2 onbekende heren en dan Marie Veldhuizen, de heer Braam (depothouder van Amstelbier,) Jelle van der Velde, kruidenier in Iepenlaan en als laatste Langenberg, notarisklerk.
Het schilderstuk achter dit tafereel maakt nieuwsgierig. Het lijkt een zeer landelijk tafereel en suggereert een schoorsteenstuk te zijn.
Het valt aan te nemen, dat de keuken de basis is voor de culinaire tevredenheid van de klanten van de eetzaal."De twee beelden van de aktiviteit in de nieuwe keuken laten in ieder geval zien op de bovenste foto (foto 7): v.l.n.r. Wiep Veenstra; Zus v.d. Velde; Marie Veldhuizen; moeder Smid, en op de onderste foto (foto 8): v.l.n.r. Zus v.d. Velde; Wiep Veenstra; Marie Veldhuizen.
Tenslotte: de basis van een goed lopend bedrijf is de personele bezetting. Uiteraard zal deze in de lange exploitatieperiode stellig wisselingen hebben ondergaan. Links op de foto (foto 9) staat links Fokke de Roos, in het midden Marie Veldhuizen en rechts achter de tap Bauke de Vries.
Afsluitend willen we U nog voorstellen aan de personen, welke hebben gezorgd voor het bestaan van het Hotel Smid. De namen achter op de betreffende foto’s (foto 10) zijn onze gids, omdat wij de exploitanten persoonlijk niet hebben gekend. De man met bril op beide foto’s in Jan Willem Smid in het midden Moeder Smid en daarnaast Johan Sietsma (die op bezoek was uit Amerika en voorheen woonde op de Leeuwarderstraatweg naast de Christelijke school)
2015, juli 26 - wibbo westerdijk - hip-backup, met dank aan Alie van Dijk c.s.
2018, januari 14: Aanvullingen en correcties aangeleverd op 14 januari ( inmiddels in de tekst verwerkt) door Jan Willem Smid, waarvoor hij deze HIP-Time 112 nog waardevoller maakte, hiervoor hartelijk dank!
Horizon vanuit het noord-noord-oosten vóór 1934
- Details
HIP-TIME MAGAZINE 117
Voor de geschiedschrijving van de wijk Heerenveen-noord is deze foto van november 1930 - de bomen werken mee door hun bladerloze uiterlijk - een uitstekend begin van hun zoektocht naar authentieke beelden van hun oorspronkelijke leefgebied. Fotonummer 01980 van het Heerenveen Museum is misschien fototechnisch gezien niet het beste exemplaar van de onbekende fotograaf, maar gevoelsmatig zou het best eens een opname kunnen zijn van de in die jaren actieve Christiaan Weijer (1894-1947). De opname heeft zelfs de potentie een uitstekende illustratie te zijn voor een boekje als ‘Heerenveense fotografen in de 19e en 20e eeuw’, welke nu als titel draagt “Verstilde tijd”. Het heeft niet zo mogen zijn !
Dit panoramische beeld van een groot deel van de Heerenveense horizon of met een hedendaagse term ‘skyline’ is tot stand gekomen vanaf een positie ten noorden van de westelijke dwarswijk van de Pastoriewijk ergens tussen het arm-en verplegingshuis aan de Pastorielaan en de Thialfweg. Die dwarswijk ligt tegenwoordig parallel met de huidige van Beyma thoe Kingmaweg, achter de bebouwing van de Primulastraat. Rond 1930 liep die vaart bijna tot aan de latere van Maasdijkstraat door. Een poging om de plaats van het fotostatief vast te stellen, rekening houdend met de volgorde waarin de kenmerkende gebouwen langs de horizon zijn gerangschikt, levert - bij benadering - de slootkant in de nabijheid van het schoolplein op van de in 1921 gebouwde en begin 1922 in gebruik genomen Openbare Lagere School Heerenveen (Aengwirden) of kortweg School Tuinstra, later wordt dit de Maasdijkschool (aan het begin van de Thialfweg of eigenlijk het eind van de Thialfweg bij het hek van de ijsbaan). De notitie achterop de op fotokarton geplakte foto vermeldt slechts: Thialfweg, maar die aantekening is pas enkele jaren geleden in potlood er achterop geschreven.
Op de foto is nog goed waarneembaar een sloot (smalle wijk), die van het midden-rechts door de weilanden loopt in de richting van globaal gezien de Kleine Kerkstraat en doodloopt op de nieuw aangelegde aardebaan voor de buiten de bebouwing langslopende tram. Het is nuttig om dit fotobeeld te vergelijken met luchtfotonummer 7143 uit 1931 van de publicatie “Oud Heerenveen vanuit de lucht”.
Laten we eerst eens de kenmerkende bebouwing van rechts naar links benoemen. Opvallend is de (nep)geveltoren van het oliepakhuis van fabrikant Woltman naar het ontwerp van E. Schaap uit Roordahuizum, waarbij een hoogte van 15.70 meter wordt bereikt. (AEN Bouwvergunning 1915, no. 394). De machinekamer met ketelhuis daarnaast is ietsje lager, maar de schoorsteen van de oliefabriek met een hoogte van 22 meter (AEN Bouwvergunning 1912, no. 311) wedijvert met de kaphoogte van de in 1898 verhoogde molen Welgelegen. Vervolgens naar het centrum van de foto zien we hoog opgaand geboomte met de daken van een aantal herenhuizen aan de eerste Fok, waarbij het meest prominent uiteraard is de voormalige villa “Mariënbosch” van jhr. F.H. van Beyma thoe Kingma. Daarna vestigt er zich notaris jhr. S.W.H.A. van Beyma thoe Kingma en is het sinds 1920 kantoor en woning van notaris J.W. Schippers geworden. De onderpui van de spitse toren van de Nederlands Hervormde Kerk (Schoterland) wordt in het beeld afgedekt door de gevel van het voormalige Hotel Jorissen aan de Oude Koemarkt, welke in 1926 onder de hamer komt en verkocht wordt aan de Roomsch Katholieke Parochie van den Heiligen Geest. Voor de bouw van een roomse kerk met twee torens en annexen betekent een besluit tot sloping voor een groot deel van het complex een flinke amputatie. Anno 2015 horen we van voornemens om door afbraak van het huidige gebouw “‘t Skûtsje” de rooilijn van de noordelijke gevelhelft van het voormalige hotel Jorissen weer naar voren te halen. Zal het ooit mogelijk zijn die gevel in harmonie te herstellen zonder het zuidelijke deel daarin te betrekken ?
De grandeur van Crackstate maakt de horizon van de plaats Heerenveen in 1930 praktisch vanuit iedere hoek tot ‘oh ja, dit is Heerenveen’. In deze opname is zelfs het ‘aangehechte huis van bewaring’ terug te vinden. Enkele jaren later kan ook de lagere horizon kenmerkend worden genoemd door de in 1934 gebouwde Schouwburgbioscoop met toneeltoren. De naar het oosten lopende dakenlijn wordt vooral gedomineerd door het langs het Haringspad staande Hotel Groen.
Tenslotte volgen dan nog drie door de afbraak gesneuvelde ‘skyliners’, te weten het slanke torentje van het postkantoor, de kolossale watertoren medebepalend voor het Heerenveense luchtruim en - in alle bescheidenheid - het in etages opgebouwde houten torentje met luidklok van de Rooms Katholieke Kerk aan het Gemeenteplein.
Terugkomend op het maken van deze opname brengen we nog graag in herinnering één van onze eerste HIP-time afleveringen, namelijk nr. 9 van 12 mei 2012, welke als prentbriefkaart ‘Gezicht op Heerenveen’ is verkocht. In dat geval wordt de datering mede bepaald door de datumstempel uit 1924. De breedte van de horizon maakt in dat geval slechts een gedeelte uit van bovenstaande horizonbreedte. Niettemin zijn er enkele parallellen aan te geven. Het beeld van de Nederlands Hervormde Kerk tot en met dat van de Rooms Katholieke kerk, met alles wat daar tussen zichbaar is, komt exact overeen met dat van de bovenstaande foto.
De aanwezige bebouwing achter de Fok betreft niet alleen de achterkanten van de gebouwen daar, maar er kan ook worden gezocht naar de “Hepkema’s nieuwe weg’ zoals de voorloper van de Hepkemastraat wordt genoemd. Die straat is vanaf 1916 in ontwikkeling genomen. Het eerste pand, dat daar is gebouwd betreft het woonhuis met werkplaats van de verver Albert Gerbens Landstra. De bouwvergunning stamt van 29 februari 1916. Dat eerste pand staat o.a. op die schitterende kaart van de te vormen gemeente Heerenveen uit 1918 en staat letterlijk in de ‘schaduw’ van de Tjepkemamolen, thans Molen Welgelegen. Later in de tijd krijgt het huis de veelzeggende naam ‘Molenschauw’. Zie HIP-Time 102 voor een uitgebreide beschrijving van dit pand.
In 1922 volgt de dubbele woning van E. Westerhof (bouwvergunning 580) en in 1923 worden er meerdere panden gesticht. R. van der Wijk is een bouwkundig opzichter en sticht een dubbel woonhuis, hetzij voor verkoop of misschien voor verhuur. M. Joustra, kleermaker, gaat het woonhuis (nr. 124) betrekken. Theodorus Groothoff, smid aan de Heerenwal, bouwt er ook een woonhuis, maar blijft lekker op de hoek van Dubbele Regel-Heerenwal wonen. G. Kamminga, brievenbesteller (nr. 139) en H. Loopstra, in 1922 nog kleermaker en in 1928 reiziger (nr. 139a) bouwen samen een dubbel woonhuis. H. Dijkstra blijkt in 1928 bankwerker en sticht in 1923 een woonhuis in de Hepkemastraat (nr. 133). F.A.H. Clemens, typograaf, laat een dubbel woonhuis (132) bouwen en bewoont daarvan zelf eentje. R. van der Wijk en H. Been bouwen samen een dubbel woonhuis kennelijk eveneens als huurobject of in opdracht. De huisnummers komen uit het Algemeen Adresboek van de Provincie Friesland ± 1928 (Tresoar) en het adresboek van 1922 en 1927 (Heerenveen Museum).
2015, oktober 4 - wibbo westerdijk - hip-backup
Hoofdbrug 1931
- Details
De hoofdbrug van 1880 mag dan niet de breedste zijn geweest, het heeft beslist het meest siermeedkundige, elegante uiterlijk gehad van de Heerenveense centrumbruggen. Kijk naar die prachtige bijna ‘jugendstilachtige ornamentering’ van de ronde boog van het brugportaal. De eigenaar sinds 11 juli 1843 is ‘het Rijk’, die het eigendom van de hoofdbrug bij contract heeft overgenomen van de Dekema-, Cuyck-en Foeyts Veencompagnie. Boven de portaalboog bevindt zich in het midden het gekroonde Koninklijk-en Rijkswapen, met op het wapenschild “een klimmende leeuw van goud getongd van keel op een veld van azuur, bezaaid met gouden blokken”, vermeerderd met “in de rechter voorklauw een opgestoken zwaard en in den linker een bundel pijlen met gouden punten, de punten omhoog en de pijlen met een gouden lint te zamen gebonden” (citaten uit T. van der Laars: ‘Wapens, vlaggen en zegels van Nederland’, 1913, met tekst van het K.B. van 24 aug. 1815, pagina 138)
Op deze foto - Museum Willem van Haren nr. 01834 - met een formaat van 15.8 bij 10.8 cm is de brug in de nadagen van haar bestaan. Het is namelijk het jaar 1931 en we weten niet door welke fotograaf deze opname is gemaakt. De niet zo sterk aanwezige schaduwen wijzen ons op een redelijk vroeg tijdstip van de dag (zon uit het oost-zuid-oosten?). Dat jaar 1931 is niet uit de lucht gegrepen. Door een oud-medewerker van de Oudheidkamer c.q. Museum is dat jaartal op de inventariskaart terecht gekomen. Het valt bovendien te documenteren met de verkiezingsbiljetten op de verticale steunstijlen van de hoofdbrug. Zo staat er op de linkse paal: ...Boer 22 April ... en op de rechter: Stemt op 22 April ....Lijst 13 ....Visser, maar ook ‘3 ... De Boer. Het Nieuwsblad van Friesland van 17 april 1931 laat ons kennismaken met een advertentie van het gewest. De federatie van de S.D.A.P. Friesland maakt zich sterk voor nummer 1 van lijst 3 de heer H. de Boer en de aanbeveling is ‘Breng uw stem uit op 22 april voor de Provinciale Staten. In een advertentie van de R.K. Staatspartij valt woensdag no. 1 van lijst 13 M. Visser die eer te beurt. Zelfs vinden we op lijst 12, no. 1 de persoon van onze plaatsgenoot sinds 1928 Burgemeester Falkena namens de Vrijzinnig Democratisch Partij. Heerenvener F. Bokma is lijsttrekker van lijst 11 namens de Plattelandersbond, die met bezuinigingen, goedkoper elektrisch licht, tegengaan van te dure waterschappen en het bevorderen van bestaansmogelijkheden op het platteland een plaats in de Staten heeft bereikt. Op donderdagmorgen 23 april verschijnt er een verkiezingsnummer van de Hepkemakrant met de totaaluitslagen met tevens een pagina met de portretten van 48 gekozen statenleden. Een dag later blijkt dat ook Heerenvener W.W. van der Kam voor A.R.-partij nog zitting mag nemen als statenlid.
Vlak naast de brug aan de kant van het Haringspad ziet U een paal met donker en lichte kleurvlakken (was de foto maar in kleur ...) met daarboven een breed langwerpig wit bord met tekst onder een driehoekig bord met misschien?ook wel tekst (maar niet te lezen!). De tekst op het witte bord luidt: “Verboden / voor voertuigen waarvan / door eenig wiel een / grooter gewicht op de / brug wordt overgebracht / dan 2400 kg”.
Dan is er de wegwijzer die het verkeer in de richting van Garstenbrug stuurt met de bestemmingen: Oranjewoud 4.6 / Gorredijk 10.7 /Beetsterzwaag 18.3. Natuurlijk worden de afstanden in kilometers weergegeven en uiteraard via de Heideburen, ‘t Meer, Veensluis naar de afslag ‘Wâldsterbrêge’ en Woudsterweg; verder ‘by de feart lâns’ de tramrails volgend naar Bovenknijpe en bij het café richting Gorredijk en Beetsterzwaag.
Is het U ook opgevallen, dat het begrip ‘hangjongeren’ al een tamelijk lang historisch gegeven is ? Ook in 1931 dus al ! Misschien is de man van de kruiwagen met de bezem net even buiten beeld of staat hij aan de andere kant van de brug met de rug tegen het hek even uit te blazen ? De meer dan kordate en wilskrachtige pas van de stevig doorstappende persoon, die van het Haringspad komt, lijkt niet de bedoeling te hebben de veegwerkzaamheden aan te pakken.
Het hoekpand Vleesmarkt-Lindegracht is in 1931 het lijdend voorwerp van een verbouwing van de woning. Bij vergunning nr. 2238 heeft P. Palma bij besluit van 5 maart 1931 daarvoor toestemming gekregen. Het gaat om het maken van een zitkamer van ± 2.60 bij 3.60 meter. De timmerlieden J. Schaap en Zn. ramen het op fl.60,-. In het dossier is geen tekening aangetroffen. Gemeenteopzichter is in die tijd K. Straatsma is kennelijk geen dossiervormer.
Na enig zoeken in de krantenlegger van het eerste halfjaar van 1931 in het Museum Willem van Haren vinden we ook nog een advertentie van P. Palma over de opening van zijn nieuwe Groenten-, Fruit-en Viswinkel. Op vrijdagavond de 13e maart kondigt hij die gebeurtenis aan voor zaterdagmorgen de 14e maart. Als cadeau voor de koper, die fl.2,- besteed, geeft hij een bus sperziebonen en iedere koper die voor fl.1,- koopt, krijgt er gratis een pond appels bij. Verder somt hij nog even wat topics uit zijn assortiment op.
De dames Rinske, Janneke en Hiltje de Jong, modistes, hebben daar sinds 18 juni 1909 hun"Maison Moderne" gehad met als specialiteit dames-en kindercostumes, blouses, costuumrokken, corsetten, handschoenen. Van deze gezusters - waarvan Janneke (1865) hen al is ontvallen op 4 juli 1926 - getuigt nog een advertentie in het Nieuwsblad van Friesland van 28 maart 1930, waarbij ze hun etalage met een schitterende expositie hebben ingericht van “Eerste Klas Fransche Modelhoeden”. Het doek voor de twee overgebleven zusters lijkt zakelijk te vallen op de 26 februari 1931 wanneer ze deurwaarder J.D. Jongsma zowel hun inboedel als hun winkelopstand met een boelgoed te gelde laten maken. Een week later zijn Rinske en Hiltje van beneden naar boven verhuisd (huisno. 2a), waar Hiltje op 26 maart 1931 op ruim 59 jarige leeftijd overlijdt. Rinske, van geboorte de oudste (1862) wordt uit haar woning gedragen na haar verscheiden op 17 januari 1933.
Overigens hebben de dames de Jong volgens de Hepkemakrant van 29 juni 1928 er blijk van gegeven een moeizame relatie te onderhouden met de burgemeester én een commissie, die bezig zijn geweest een trottoir van 1.80 meter breed aan te leggen langs de gehele Lindegracht. Zij weigeren de stoep vóór hun woning daarvoor af te staan en in de kosten van aanleg bij te dragen. Uiteindelijke komt het trottoir er wel zoals dat eerder ook gebeurd is op de Dracht in 1926.
Aan de overkant van de Vleesmarkt is in 1931 al sinds lange tijd de naam van de bakkersfamilie De Jong (zoals we hebben vastgesteld op een gevelopschrift) verbonden. Het is op 25 januari 1855, dat in het kantoor van notaris Arjen Binnerts op het Breedpad de voogd van vier minderjarige kinderen van wijlen het echtpaar Durk Piebes Sjollema en Anna Margaretha Braaksma en Jelte Faber als vader en voogd van de vier kinderen van hem en Anna Margaretha Braaksma, weduwe Sjollema bijelkaar komen. Zij zijn met Kornelis Klazes de Jong, mr. bakker te Heerenveen, overeengekomen, dat deze het huis en bakkerij te Heerenveen, sectie A., nr. 3, groot 2.42 are, voor fl.4800,- koopt. Uiteraard gaat deze zijn ‘meesterschap’ in dit ambacht volledig bewijzen en neemt daarvoor de verantwoordelijkheid gedurende bijna twintig jaren. Dan komt het moment dat hij de zaak overdoet aan zijn zoon Johan Christiaan de Jong, de oudste zoon uit zijn tweede huwelijk met Anna Dupon. Het kadaster legt dit vast in het dienstjaar 1874. Deze laat in het dienstjaar 1885 een volledige herbouw uitvoeren, zodat de gebouwde waarde stijgt van 165 gulden naar 400 gulden. Uit zijn huwelijk met Alida de Haan is rond 1910 zijn zoon Kornelis zover, dat deze het bakkersambacht ook voldoende in de vingers heeft en het pand in het bedrijf in het dienstjaar 1910 overneemt.
Eén van zijn eerste ingrepen in het bedrijf is het aanbesteden van verbouw van het woon-en winkelhuis naar bestek en tekening van architect Servaas H. Zwarts te Heerenveen. Die aanbesteding is op 29 januari 1910 en hoewel de aanvraag pas op de 3e februari is gedaan, krijgt hij praktisch per ommegaande - binnen een week - de verbouwvergunning. (SCO, dossier 321) De Hepkemakrant meldt op 16 februari 1910, dat de onderhandse aanbesteding is gegund aan bouwmeester-aannemer K. de Groot te Heerenveen. Korte tijd later ziet Kornelis de Jong kans het oppervlak van het pand uit te breiden van 2.42 are tot 4.02 are, wat ook weer gevolgen heeft voor de gebouwde waarde: van fl.400,- naar fl.498.-.
Belangrijk voor het bakkersbedrijf is de keuze, die de familie De Jong maakt voor de toekomst. Sinds het begin van de 20e eeuw ligt in Heerenveen de nadruk op ‘samenwerking’. De rechtsvorm die daarbij wordt gekozen is meestal die van de Coöperatie en is in het begin vaak gelieerd aan de socialistische denkwijze. Niet alleen kiest men politiek-ideeële samenwerking, maar ook praktisch gerichte oplossingen. Zo werd op 17 april 1919 door een grote meerderheid van de kleinere bakkersbedrijven besloten tot de oprichting van een N.V. De Centrale Bakkerij te Heerenveen. Aengwirden faciliteerde het initiatief door toestemming te verlenen aan de Fok een daarvoor bestemd pand te bouwen. De familie De Jong, die op dat ogenblik in Heerenveen een drietal bakkerijen in exploitatie heeft, kiest haar eigen oplossing door zelf een naamloze vennootschap op te richten. De Nieuwe Rotterdamse Courant meldt op 11 juni 1920, dat de Staatscourant o.a. de statuten bevat van “de Naamlooze Vennootschap ‘De Jong’s Bakkerijen’ te Heerenveen”. Albert Hoogkamp, afkomstig van Noordwolde, maar ‘t laatst van ‘s Gravenhage, die vanaf 1911 als bakker is verbonden aan het bakkerijpand Dracht-oost nr. 217, thans Dracht nr. 15 (waar eerder Gerhardus de Jong de broden bakte) wordt benoemd als directeur van de N.V. In 1921 verhuist hij naar het grote pand op de Vleesmarkt. Hij is als 26 jarige jongeman in 1797 getrouwd met Jette de Groot (Heerenveense). Deze overlijdt in 1911 en hij hertrouwt in 1914 met Jacoba de Haan uit Langezwaag. In 1931 - het jaar van onze foto - wonen zij hier op de Vleesmarkt, maar hebben tevens een gemeubileerde kamer verhuurd aan mevrouw Dr. Mietje Rosenbaum, lerares Duits aan de R.H.B.S. Zou zij één van de dames kunnen zijn, die zich op het balconnetje bevinden achter de linkse brugpilaar ? Zeker is dat de N.V. een liefhebber is van naamreclame, gezien het zwarte bord (aan de waterzijde van de bakkerij) met o.a. de tekst ....De Jong’s .... erop. De geur van vers brood zal stellig de omgeving van het pand hebben beheerst. De open deur naar de bakkerij nodigt wat dat betreft uit en het is duidelijk dat de ‘echte’ bakkerskar daar niet weinig toe bijdraagt.
Aan de race van herbouw, verbouw en vernieuwing is het sigarenzaakje van het kadastrale nummer A-4 lang ontsnapt, maar in 1928 is het door vergroting van het terrein door toevoeging van grond van de gedempte kerkhofshaven dan toch zover, dat Berend Noppert en Sietske Jonkers, voor hun vergrote perceel het reeds hoge kadastrale nummer A-3199 krijgen toegewezen. Misschien is de gevelaankleding en het straatmeubilair (fietsenrek met reclame, zonnescherm, markies, gevelreclame) in de loop der tijd aangepast geweest aan de modetrends, maar wezenlijk zijn er niet echt veel wijzigingen geweest. De enige bouwvergunning van dit pand dateert van 18 augustus 1926 als Berend Noppert toestemming krijgt voor een interne verbouwing van keuken en bijkeuken. Op dat ogenblik bereidt het stel zich voor op een huwelijk, want ze gaan in ondertrouw in de week van 24 tot 30 october 1926. De relatie heeft maar zeer kort geduurd. In de legger van hun pand op de Vleesmarkt 3 wordt in het dienstjaar 1928 al gesproken van Sietske Jonkers, gescheiden echtgenote van Berend Noppert. Een familiegenealoog op internet beweert zelfs dat Berend nimmer gehuwd is geweest ! Vaststaat dat het adresboek 1934 als bewoner Berend Noppert kent, en dat het exemplaar van 1938 als bewoners mej. S. Jonkers en mej. T. Visser, resp. als winkelierster en als winkeljuffrouw heeft geregistreerd. Berend Noppert woont dan in de Compagnonstraat 18 in bij de weduwe Tj. Zwart-Bloemhof en als beroep geeft hij aan ‘commissionair in obligatiën’ te zijn.
Zeer dominant is de metalen telefoonmast op de Oude Koemarkt, welke in augustus-september 1905 is opgericht ten dienste van een dertigtal telefoonabonné’s. Ook dominant maar slanker is de afsluitboom voor de brug, wanneer deze aan de Vleesmarktzijde openklapt moet worden. Prachtige stoffering van het beeld zijn de transportfiets met dubbele framestang en pakjesdrager boven het voorwiel, de kruiwagen met bezem en de achterzijde van een automobiel vlak voor de gevels van de oostkant van de Vleesmarkt. Zien we daar het reservewiel ?
Aan de gevel van de bioscoop - naast de sigarenwinkel - zit een groot bord, met daarop een flinke filmposter, waarmee eigenaar Jan van der Wal, zaalchef Sjoerd Brouwer en operateur E. Couperus hun publiek naar binnen lokten.
2014, aug. 17 - wibbo westerdijk - hip-backup